19.01.09

RUDOLF SCHOCK ZINGT Heinrich Berté/FRANZ SCHUBERT

Rudolf Schock zingt Heinrich Berté/Franz Schubert 
Franz Schubert
1797-1828





















Heinrich Berté
1858-1929
Was Schön'res könnt's sein als ein Wiener Lied?

Het antwoord op die vraag zou kunnen zijn: een lied van Franz Schubert. Maar een Schubert-lied, dat óók een Weens lied is, is dan misschien nóg mooier om maar te zwijgen van een veelvoud van die liederen. Toch had diens beroemde collega Franz von Suppé zoiets een halve eeuw geleden al geprobeerd en dat was geen succes geworden.

Met dit soort wanhopige gedachten in het hoofd begint de veelgeplaagde Heinrich Berté aan zijn zoveelste operette-poging. Zijn eerdere operettes heeft hij zien mislukken. Zijn allerlaatste: 'Das Dreimäderlhaus' werd zelfs afgekeurd, terwijl hij toch een actuele Schubert-bestseller ('Schwammerl' van Rudolf Hans Bartsch) als bron had gebruikt en op het dramatische hoogtepunt een heftig lied van Franz Schubert ('Ungeduld') uit de hoed had getoverd.
Had hij die truc maar niet uitgehaald. Het kwaad was echter al geschied: Berté's theatervrienden vragen hem vriendelijk, doch dringend van zijn eigen muziek af te zien en voor een vernieuwd 'Dreimäderlhaus' uitsluitend nog muziek van 'Schubert himself' te gebruiken.
Berté protesteert en herinnert aan de Schubert-mislukking van Franz von Suppé, maar uiteindelijk begint hij toch aan een bewerking van Schuberts muziek voor het operette-theater. Met andere woorden: begint hij - 'God zegene de greep' - toch maar te knippen en te plakken.

Op 15 januari 1916 gaat het resultaat in première. Het succes is enorm en binnen de kortste keren maakt het Berté/Schubert-experiment 'Das Dreimäderlhaus' een ware zegetocht door de Europese en Amerikaanse theaters. Het werk groeit zelfs uit tot één van de meest gespeelde operettes.

Op internet kom ik maar één klein, onscherp fotootje tegen van Heinrich Berté. Hij lijkt mij een aardige en geestige man, wiens greep "door God gezegend werd". Een paar jaar later probeerde hij het nog eens met een tweede Schubert-operette ('Lenz und Liebe'). Deze sloeg echter totaal niet aan.

In de tussentijd werd Berté bejubeld en verguisd: de één stelde vast, dat Schubert's notenbeeld volledig was gerespecteerd, dat Berté de grote wens van Schubert op het toneel gespeeld te worden in feite in vervulling had doen gaan én dat zijn toneelbewerking van smaak en vakmanschap getuigde. Maar er waren er ook, die vonden, dat het "knoeiwerk" van Berté Franz Schubert onderuit haalde. De Oostenrijkse schrijver en journalist Karl Kraus wenste Wenen "alleen al vanwege deze operette, die voor Schubert zo beledigend was, pest en bommen' toe. Het Weense publiek had niet anders verdiend!"

Na een lustrum van afkeuring en ophemelarij lijkt de operette ineens vogelvrij verklaard. Componisten, arrangeurs, dirigenten, regisseurs en - met meer zakelijke motieven - theater- en platenproducenten gaan er op hun beurt al verder plakkend en knippend mee aan de haal:
In de VS werkt Sigmund Romberg het werk in 1921 succesvol om tot 'Blossom Time' (verfilmd met Richard Tauber als Schubert).

Richard Tauber in 'Blossom Time'
















In Engeland is het de van oorsprong Australische componist George Clutsam, die het 'Dreimäderlhaus' in het niet onopgemerkt gebleven 'Lilac Time' (1922) verandert. Er wordt een Spaanse en een Franse versie ('Chanson d'Amour') gemaakt. Ook daarna komt er geen eind aan het bewerken van composities van Schubert.

De muziekkeuze van Heinrich Berté
Voor wie meer wil weten over Berté's keuzes uit de muziek van Schubert, is het de moeite waard de site van het 'Schubert Institute' te bezoeken (http://www.franzschubert.org.uk/).
Hier beperk ik mij tot een paar ervan:

Het driemeisjes-terzet ('Haiderl, Hederl und Hannerl Tschöll') klinkt op muziek uit Schubert's ballet 'Rosamunde'.

Het 'Wiener Lied dat in schoonheid niet te overtreffen valt' is van oorsprong één van de 'Deutsche Tänze'(D783-7).

'Es soll der Frühling mir künden' was bij Schubert een 'Trauerwalzer'(D365-2).

De finale van de eerste akte is o. a. gebaseerd op een fragment uit Schubert's jeugdopera 'Der häusliche Krieg'.

Verder gebruikt Berté piano-sonates en natuurlijk - blijvend centraal in de operette - 'Ich schnitt es gern in alle Rinden ein' oftewel 'Ungeduld', lied nr. 7 uit de cyclus 'Die schöne Müllerin'.

Niet gekozen door Berté, maar wel vaak ingelast, is Schubert's 'Leise flehen meine Lieder' , de serenade D957-4. In Romberg's 'Blossom Time' behoren 'Leise flehen meine Lieder' en het 'Ave Maria' tot de standaard-partituur van de operette.

Wat is historisch en wat is fantasie?
Alfred Maria Willner en Heinz Reichert, de schrijvers van het Dreimäderlhaus-libretto, en Heinrich Berté plaatsen de 29-jarige Franz Schubert op het toneel temidden van zijn vrienden.
Plaats van handeling is het Weense Biedermeier-milieu anno 1826.
 













De vriendenkring om Schubert heeft echt bestaan. In het 'Singspiel' (Deze aanduiding is waarschijnlijk in de mode geraakt om het woord 'operette' te vermijden) treden op de dichter Franz von Schober, de schilder Moritz von Schwind, Kammersänger Johann Michael Vogl en de tekenaar Leopold Kupelwieser (zie hieronder diens tekening van de 17-jarige Franz Schubert).
















De club was in werkelijkheid groter.
Zij zagen elkaar veelvuldig tijdens concerten in zalen of grote salons en op de zogenaamde 'Kanevas'-avondjes. Die raadselachtige naam slaat op de vraag, die Franz Schubert altijd weer stelde, als op zo'n avond een nieuw iemand werd voorgesteld: 'Kann er was?'.
Op de 'Kanevas'-avondjes werd er voorgelezen, muziek gemaakt, gekletst, geroddeld en gedronken. Waar jonge mannen zijn, zijn jonge vrouwen en dat had tot logisch gevolg, dat verliefdheden aan de orde van de dag waren. Historisch is ook, dat de vrienden hun kunstbroeder "Franzl", die tamelijk klein en een beetje gezet was, alsmede een relatief groot hoofd had, plaagden met de bijnaam 'Schwammerl', dat 'paddenstoel' betekent.

Oude ansichtkaart: Collectie Prof.Dr. S. Giesbrecht
(Universiteit Osnabrück)

















Verder kunnen we aannemen, dat Schubert in de omgang met meisjes op z'n zachtst gezegd niet zo handig was. Een stuk gelopen relatie met de dochter van iemand, die mogelijk keizerlijk goedgekeurd glazenmaker was, zal zeker een kern van waarheid bevatten. Maar de rest van de operette-handeling is fictie.

Menige samenvatting van de operette-handeling is onvolledig
Graag wijs ik op een vergissing, die in menige samenvatting van de operette wordt gemaakt:
De reden, waarom Hannerl voor Schuberts boezemvriend Von Schober kiest, heeft niet alleen te maken met het door Von Schober namens Schubert (zélf durft hij niet!) gezongen 'Ungeduld'. Wel is dat de druppel, die de emmer vol hartstocht doet overlopen, maar nog belangrijker is een tragisch misverstand kort daarvoor:
Kammersängerin Demoiselle Lucia Grisi, die een relatie heeft met Franz von Schober, krijgt de indruk, dat haar Franz verliefd wordt op Hannerl. Zij geeft het jonge meisje daarom de 'wijze' raad niet in te gaan op eventuele avances van Franz, die verre van monogaam zou zijn. Hannerl, die geleidelijk aan veel voor Schubert is gaan voelen en enthousiast pianolessen bij hem volgt, denkt, dat Lucia's waarschuwing op Franz Schubert slaat. Het meisje is compleet van de kaart en in die gemoedstoestand hoort zij uit de mond van de inderdaad eveneens verliefd geworden Von Schober een emotionele liefdesverklaring. Hannerl kan niet anders dan de uitvoerend kunstenaar in de armen vallen! Berté's Singspiel eindigt met een verdrietige Schubert, die er desondanks in slaagt dit verdriet op bewonderenswaardige wijze te overwinnen ('Nicht klagen...').

Rudolf Schock zingt Heinrich Berté/FRANZ SCHUBERT:
Rudolf Schock heeft zo'n 80 liederen van Franz Schubert op de plaat gezet. Gedurende zijn zangersloopbaan van een halve eeuw heeft hij Schubert-liederen overal in concertzalen gezongen. Muziekcriticus Leo Riemens - ik heb hem al vaak geciteerd - merkte op naar aanleiding van Schock's 'Dreimäderlhaus'-optreden in Amsterdam (1974), dat in deze operette eindelijk weer eens een zanger optrad, "die weet hoe Schubert gezongen moet worden".

1958: de Ernst Marischka-film 'Das Dreimäderlhaus' (zie ook onder 'RS op film/dvd')
Met o.a. Helga Neuner, Gerda Siegl en Johanna Matz (Haiderl, Hederl und Hannerl), Magda Schneider en Gustav Knuth (ouders van de drie meisjes), Karlheinz Böhm (Franz Schubert), Rudolf Schock (Franz von Schober), Helmut Lohner (Moritz von Schwind), Albert Rüprecht (Leopold Kupelwieser), Eberhard Wächter (Johann Michael Vogl), Erich Kunz (Johann Mayrhofer), Richard Romanowsky (muziekuitgever Diabelli), Ewald Balser (Beethoven) en verder Wilma Lipp, Hilde Konetzki, Hugo Mayer-Welfing, Oscar Czerwenka en dirigent Heinrich Hollreiser.
Camera: Bruno Mondi, muzikale leiding Anton Profes, draaiboek en regie: ERNST MARISCHKA.



Ernst Marischka (1893-1963)
liet als filmregisseur en draaiboekauteur een enorm film-oeuvre na. In 1946 kreeg de Oostenrijker een Oscar-nominatie en in de periode 1955-1957 bereikte zijn 'Sissy'-trilogie (met Romy Schneider en Karlheinz Böhm) een cult-status. Marischka werd echter door de kritiek ook fel aangevallen. Ondanks het feit, dat de enorme populariteit van zijn Sissy-films ook na meer dan 50 jaar onaantastbaar is (Wat is een kerst zonder Sissy?), blijven sommige critici hun pen in gif dopen. Bv. in elke nieuwe uitgave van de Nederlandse Film-Encyclopedie uit de jaren 80 en 90 kreeg 'Das Dreimäderlhaus' er flink van langs: "...superromantisch volgens het Marischka-recept, oer-Duits dus en naar het boek 'Schrammer'...". Het ergste is echter, dat die 'beoordeling' telkens weer opduikt, omdat men blijkbaar in de journalistiek nogal veel van elkaar overschrijft. Het is ongelooflijk, dat iemand in zo'n kort stukje zin zoveel missers maakt: Marischka is Oostenrijker, de kwalificatie 'oer-Duits' bewijst vooringenomenheid van de schrijver en de romantitel 'Schrammer' i.p.v. 'Schwammerl' is een schoolvoorbeeld van de klok hebben horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt.

Ernst Marischka



















De kwaliteit van de Schubert-film is de artistieke intuïtie, waarmee Marischka binnen een weliswaar beknopt, maar onomstotelijk historisch kader een tijdloze, door en door menselijke werkelijkheid schept, die voor steeds weer nieuwe filmbezoekers en tv-kijkers invoelbaar is. Marischka - Karlheinz Böhm zegt het in het interview, dat bij de dvd-uitgave van 'Das Dreimäderlhaus' is gevoegd - improviseerde niet op de filmset, maar zag nog, voordat een scene gefilmd werd, al precies voor zich, hoe die scene eruit moest zien en wat het ideale montage-moment zou moeten worden. Deze eigenschap wortelde in mensenkennis en inlevingsvermogen. De personages van toen - in déze film net zo als in de Sissy-films - worden doodgewone mensen van nu, die zonder gewichtigdoenerij op een voor jong en oud herkenbare manier aan hun gevoelens uiting geven. Romy Schneider was als keizerin Sissy helemaal naturel, Karlheinz Böhm is dat op even vanzelfsprekende wijze als de jonge, onzekere componist Franz Schubert. De speelse Erich Kunz (Mayrhofer), de innemende Richard Romanowsky (Diabelli), de indrukwekkende Ewald Balser (zie foto) enz. overtuigen volledig in hun rollen. Rudolf Schock is allereerst zanger en pas in tweede instantie filmacteur, maar in de scene van de plaatsvervangende liefdesverklaring laat hij zich door Böhm niet wegspelen. Hartveroverend is de scene, waarin de drie meisjes onder aanvoering van hun moeder (Magda Schneider) zich zenuwachtig gereed maken voor het uitstapje naar buiten. Al even aanstekelijk bereiden Schubert's vrienden zich daarop voor: zij maken in een chaotische sfeer lekkere hapjes klaar en heffen daarna een roerend gezongen 'Am Brunnen vor dem Tore' aan.

De verschillen tussen Berté en Marischka
Marischka voegt het lied 'Der Lindenbaum' uit Schubert's liederencyclus 'Winterreise' toe en laat de bariton Eberhard Wächter een tekst van Von Schober zingen, die door Schubert op muziek is gezet ('An die Musik'!). Kort voor het eind van de film laat de regisseur de sopraan Wilma Lipp een korte versie van het 'Ave Maria' zingen. Enkele zangnummers worden alleen instrumentaal als ondersteuning voor de filmhandeling ingezet. Andere nummers worden ensembles met Schock op de voorgrond.

In de operette is de Schubert-rol de centrale tenorpartij. In de film zingt Schubert geen noot.

Marischka wilde nadrukkelijk een film met een echte Schubert maken, waarin de historische feiten zoveel mogelijk moesten kloppen. Kammersängerin Lucia Grisi uit de operette komt in de film niet voor en dus ook niet haar waarschuwing aan het adres van Hannerl. Het accent komt bij Marischka - in afwijking van het operetteverhaal - te liggen op Schubert's 'Ungeduld', maar dan gezongen door Von Schober (Schock). Op die manier heeft Marischka zich een dramatisch sterke vondst uit de operette niet laten ontnemen.

Berté's Singspiel eindigt vrolijk. Bij Marischka eindigt de film onheilspellend: Het doek was al gevallen voor de geniale Beethoven, voor wie Schubert een diepe verering had, en valt nu ook voor Schubert zelf. De jonge, naar binnen gekeerde man van 29 blijft verscheurd door verdriet eenzaam achter. Ik kan dit einde van de film alleen maar zien tegen de achtergrond van de geschiedkundige feiten: Vast is komen te staan, dat Schubert al vanaf zijn 25ste levensjaar ernstig ziek was. Twee jaar later - na de gebeurtenissen uit de film - zou hij aan die ziekte overlijden. Pas daarna wordt zijn muzikale grootheid erkend.
De LP van 1958:
Filmfoto met v.l.n.r. Schock, Lohner, Böhm, Kunz





















1958 (Nov.):
Plaat-opname van 'Melodienfolge' uit 'Das Dreimäderlhaus' met Erika Köth, sopraan, Rosemarie Raabe, sopraan, Ilse Preusse, sopraan, Rudolf Schock, tenor, Erich Kunz, bariton, Manfred Schmidt, tenor, Walther Hauck, bas en FRANK FOX, dir.

CD: Emi/Warner 7243 5 75817 2 1):





















De cd combineert de 'Melodienfolge' uit 'Das Dreimäderlhaus' met een al even mooie selectie uit Oscar Straus' operette 'Ein Walzertraum' ook uit 1958 (met o.a. Lisa Otto, Melitta Muszely en Rudolf Schock).

De 'Dreimäderlhaus'-selectie is geen soundtrack van de Ernst Marischka-film. Het is een studio-opname, die commercieel gelinkt is aan de film. Alleen Schock en Kunz deden aan de film mee. De Oostenrijkse dirigent en filmcomponist Frank Fox (1902-1965) maakte - zoals gebruikelijk bij deze operette - een arrangement, dat filmachtig aandoet. Van de in totaal 15 muzieknummers, die de volledige operette 'Das Dreimäderlhaus' telt, worden er 12 in beknopte vorm ten gehore gebracht. Zij krijgen versterking van het door Rudolf Schock volledig gezongen 'Leise flehen meine Lieder' (D957-4) en het 'Winterreise'-lied 'Am Brunnen vor dem Tore'. De uitvoering van 'Am Brunnen...' lijkt op die van de film, waarin Kunz en Schock elkaar aanvullen. Rudolf Schock zingt van Schubert's 'Ungeduld' drie van de vier coupletten (het 3e wordt overgeslagen). Dit is één couplet meer dan in de film, waarin we alleen het eerste en laatste horen. Het arrangement voorziet in een combinatie van piano en orkest. Aan het eind van 'Ungeduld' klinkt Fox' eigen dramatische film-effect. Merkwaardig is, dat de 'Ungeduld'-opname onder Fox in de nieuwe Schock-10cdbox van cd-label 'Membran' toch weer anders is: We horen het 1e en 4e couplet en een slot zonder filmeffect. Ik kon het niet nalaten in mijn oude platenvoorraad te speuren en inderdaad vond ik ook deze versie in een oude Schock-compilatie.
De fragmenten, waarin de relatie tot de rollen in de operette grotendeels is losgelaten, zijn een genot om naar te luisteren: De melodieën van Schubert zijn mooi en dat zijn de stemmen van Erika Köth (1925-1989), Rudolf Schock en Erich Kunz (1909-1995) ook. Frank Fox dirigeert 'con brio'!
Rudolf Schock & Erika Köth









1968 (Febr.): Studio-opname (Eurodisc LP 77143 IU) 'Was Schön'res könnt's sein als ein Wiener Lied' met Rudolf Schock en de Berliner Symphoniker onder Werner Eisbrenner.

Begin 1968 verschijnt een lp met als titel: 'Rudolf Schock - Erinnerungen an Richard Tauber'. Rudolf Schock zingt opera-aria's van Auber, Wolf-Ferrari en Rossini, twee liederen van Grieg, twee Tauber-composities en o.a. 'Leise flehen meine Lieder', gevolgd door 'Was Schön'res könnt's sein als ein Wiener Lied'. Dit laatste lied staat als fragment uit 'Das Dreimäderlhaus' vermeld. Bij het Ständchen 'Leise flehen....' doet men dat terecht niet.
Oorspronkelijk is 'Leise flehen...' een afzonderlijk lied van Franz Schubert. Na zijn dood werd het als lied nr. 4 in de postuum samengestelde liederencyclus 'Schwanengesang D957' onderge bracht.
Het 'Wiener Lied' laat een Schock horen, die op 6 februari 1968 uitstekend bij stem was. Eigenlijk is dit lied in de operette een duet, maar geen nood: Rudolf Schock zingt het tweede gedeelte van het lied als duet met zichzelf. Hij deed dat overigens al eerder in een opname voor de Schock-film 'Die Stimme der Sehnsucht' uit 1956 (Gerhard Winkler's 'Schenk mir dein Herz, Lucia'). Voor opnametechnici is zoiets een peulenschil en voor de luisteraars een plezierige verrassing. Omdat op de LP Rudolf Schock aan Richard Tauber wordt gekoppeld, is het aardig op te merken, dat er ooit van Richard Tauber ook een dergelijke plaatopname is gemaakt en wel van het lied 'Flüsterndes Silber, rauschende Welle'.

1974 (April):
Studio-opname van een grote selectie uit 'Das Dreimäderlhaus' op Eurodisc LP 87873 IE met Karin Schock, sopraan, Isolde Schock-Dehn, mezzo-sopraan, Renate Holm, sopraan (Haiderl, Hederl, Hannerl), Rudolf Schock, tenor (Schubert), Kurt Schuh, tenor (vader van de drie meisjes), Peter Luipold, tenor (Von Schober), Gerhard Koska, bas (Von Schwind), Helmut Hein, bas (Kupelwieser), Achim Niedziella, tenor (Vogl) en FRIED WALTER (dir.)




















LP vanwege Berlijnse première 'Das Dreimäderlhaus' 

Die première vindt op 21 maart 1974 plaats in het Berlijnse 'Theater des Westens'.
Rudolf Schock zingt de rol van Franz Schubert en zijn nichtje Karin Schock de rol van Hannerl. Fried Walter dirigeert.






















Vervolgens gaat de voorstelling op tournee door Europa (ongeveer 200 voorstellingen). Nog datzelfde jaar zie ik de voorstelling in de Rotterdamse Schouwburg. Ik citeer mezelf (zie: 'RS zanger/vertolker'):
"Als Schock direct al in het begin 'Leise flehen meine Lieder' zingt, besef je ineens wat verstilling is. Je kunt een speld horen vallen, het lijkt alsof alle toeschouwers de adem inhouden en de stem brandt je hart in. Later is er nog z'n moment als de zanger .... 'An die Musik' zingt"

Kort daarop brengt Eurodisc genoemde LP uit. Renate Holm zingt nu Hannerl en Karin Schock Haiderl.











Een buitengewone verrassing is de bezetting van Hederl door Schock's oudste dochter Isolde!

Isolde Schock-Dehn beschikte over een mooie stem (mezzo-sopraan) en heeft regelmatig in kerkconcerten met haar vader opgetreden (Imst, Saarbrücken enz.).
In de film 'Du bist die Welt für mich' (1953) waren de toen 12-jarige Isolde en haar vader ook al samen te zien en te horen in een fragment uit de opera 'Der Evangelimann' van Wilhelm Kienzl ('Selig sind die Verfolgung leiden').

In het begin van de jaren tachtig wordt Isolde Schock levensbedreigend ziek. Zij overlijdt in 1983.
Rudolf Schock met Isolde na een concert in Saarbrücken
(Foto: Frau Rauber)



















De selectie is veel uitgebreider dan de Emi-Melodienfolge uit 1958. Het aantal oorspronkelijke partituurnummers is tien. Maar ze krijgen wel de breedte. De eerste finale staat er bijna helemaal op, evenals Schubert's grote scene in de 3e akte. De Hannerl/Schubert-duetten 'Was Schön'res könnt's sein' en 'Liebes Schicksalsblümlein sprich' worden compleet uitgevoerd.


















Ook dirigent Fried Walter heeft de muziek bewerkt en dat levert dit keer behalve Schubert's 'Ständchen'-D957/4' diens 'Heidenröslein'-D257 op, dat door stersopraan Renate Holm teder en transparant wordt gezongen. Rudolf Schock benut heel klein en fijn de mogelijkheden van de opnamemicrofoon én de muziek van Schubert.
Het meisjestrio klinkt als een klok en de overige mannelijke solisten zingen er - een enkele keer té - vurig op los.

De voorkant van de LP-cover laat geen enkele twijfel bestaan over de oorsprong van de 'Dreimäderlhaus'-melodieën. 'UNSTERBLICHER SCHUBERT' prijkt met grote, sierlijke letters boven de titel van de operette. Heinrich Berté wordt niet genoemd. Alleen op de achterkant lezen we zijn naam, maar dan wel in heel kleine lettertjes.

Krijn de Lege, februari 2009/31.7.2019

20.11.08

RUDOLF SCHOCK SINGT LEONARD BERNSTEIN U.A.

RUDOLF SCHOCK SINGT MELODIEN AUS AMERIKANISCHEN OPERETTEN UND (FILM-)MUSICALS






New York 1886:
Enthüllung der
Freiheitsstatue






Es könnte für einige Leser eine Überraschung gewesen sein, dass Rudolf Schock während seiner langen Sängerlaufbahn oft klassische Lieder sang, in Oratorien und Messen oder sogar in 'zeitgenössischen' Opern von zum Beispiel Igor Strawinsky und Alban Berg auftrat. Selbst könnte es denkbar sein - gewiss in den Niederlanden - , dass viele nicht wissen, dass Schock zwischen 1936 und 1963 vor allem Opernsänger war. Die zahlreichen Opern-CDs mit Rudolf Schock, die man heutzutage bestellen kann, liefern hierfür einen zuverlässigen Beweis.

Dessenungeachtet bezeichnet mancher den Sänger immer wieder als einen Sänger von Operetten. Das kommt nicht an letzter Stelle durch die vielen Operettenprogramme, woran Schock im Fernsehen und Konzertsaal mitgearbeitet hat. Ausserdem sang er auch eine ganze Menge Operette in den Plattenstudios, und deren Aufnahmen sind schon Dezennien beinahe ununterbrochen erhältlich. Beinahe, denn er nahm in diesem Bereich Unerwartetes auf. Es gibt dadurch beispielsweise die Möglichkeit, aus Schock-Aufnahmen eine bemerkenswerte Doppel-CD zusammenzustellen, worauf er Musik aus amerikanischen Operetten und (Film-)Musicals singt. Damit tritt er in die Spuren von Künstlern wie Gordon Mac Rae, Howard Keel, Nelson Eddy, Robert Merrill, Bing Crosby und Maurice Chevalier. Die ersten Drei waren Baritons und Musical-Koryphäen, Robert Merrill (auch Bariton) war hauptsächlich Opernsänger und die beiden Letzten nenne ich schlechthin 'Chansonniers'. Nelson Eddy sang auch Oper und Robert Merrill auch Musical. Der von mir schon öfters zitierte, niederländische Opernkenner Leo Riemens schrieb anfangs der 70er Jahre, dass der namhafte dänische Helden- und Wagnertenor Lauritz Melchior (dieser debütierte 1913 übrigens als Bariton!) in der Spätphase seiner Karriere Musicalmelodien für die Schallplatte eingesungen hätte. Melchiors Mix von ausländischem Akzent und persönlichem Gesangsstil kam Riemens wieder in die Erinnerung, als er sich Rudolf Schock im Musical-Repertoire anhörte.

Gordon Mac Rae und Shirley Jones in 'Oklahoma' (Rodgers)

Bei näherer Betrachtung ist Schocks Abstecher ins amerikanische Musical eigentlicht nicht fremd. Im Laufe der Musikgeschichte entwickelt sich die Operette aus der Oper und das Musical aus der Operette. Und wieder gilt, dass es oft unmöglich zu definieren ist,was wohl oder nicht in welche Schublade passt. Die Grenzen zwischen den Gattungen sind vage, und die grauen Übergangszonen breit. Überdies bringen allerhand Kriterien uns ganz durcheinander: bald wäre die Zahl der Beteiligten in den verschiedenen Szenen entscheidend (grosse Zahl bedeutet Oper, kleine Zahl Operette), bald die satirischen Absichten (Operetten ohne Satire wären - wie manche Opern- und Operettenkenner urteilen - überhaupt bedeutungslos). Andere entscheiden auf der (häufig subjektiven) Grundlage des inhaltlich und/oder musikalisch hohen oder niedrigen Niveaus, und manche suchen die Lösung in den wohl oder nicht anwesenden, gesprochenen Dialogen. Ich bekomme den Eindruck, dass nicht selten die Zeit, in der ein musikdramatisches Werk entstanden ist, bei einer späteren Ordnung, also hinterher, bestimmend war. Bizets (für die Hauptrollen) katastrophal ausgehende Oper 'Carmen' ist bleibend zur Schublade der Opéra COMIQUE verurteilt worden. Millöckers 'Bettelstudent' macht inmitten 'offiziell' komischer Opern keine schlechte Figur, aber wird nach wie vor als 'Operette' eingestuft. Die Johann Strauss-Operetten 'Zigeunerbaron' und besonders 'Fledermaus' werden dagegen in der musikalischen Ausführungspraxis oft zum Opernrepertoire gerechnet.


Carousel
(Rodgers)

Unausrottbar ist die Auffassung, dass Operetten und Musicals 'gute Laune' voraussetzen: die Hauptrollen in den späteren Operetten von Franz Lehár sind gar nicht gut gelaunt, weil sie ihre grosse Liebe aufgeben müssen und einsam zurückbleiben. Manche Opern aber kennen gerade wohl ein Happy-End. Die Operetten von Jacques Offenbach dürften - was mich betrifft - komische (oder satirische) Opern heissen, und eine 'Grosse Sünderin' (Operette von Künneke) hätte meine Erlaubnis, auf der grossen Opernbühne weiter sündigen zu dürfen. Die Operetten 'Im Weissen Rössl' (Benatzky) und 'Maske in Blau' (Raymond) sind eigentlich 'Musical Comedies' und vieles von Stolz, Kreuder u.a. kommt in die Nähe des (Film-)Musicals. Das Schicksal von Verdis Aida und ihrem Geliebten Radames gestaltet sich im Musical nicht milder, und dasselbe ist der Fall in der Musical-Erzählung über 'Miss Saigon', in der wir (nur was den Plot betrifft) mühelos Puccini's 'Madame Butterfly' wiedererkennen. Bernsteins berühmtes Musical ' West Side Story' ist eine moderne Version von Shakespeares Bühnenstück 'Romeo und Julia', und Sie wissen, wie traurig ihre Geschichte endet.
Kurz: Rudolf Schock hat dadurch, dass er aus amerikanischen Operetten und Musicals sang, seine künstlerischen Grenzen nicht überschritten. Und wenn wir trotzdem von Schocks 'Grenzen' reden, hoffe ich mit diesem Feuilleton deutlich zu machen, dass seiner Vielseitigkeit kaum Grenzen zu setzen sind. Gerade darum muss ich 'weiter, immer weiter' schreiben. Sehen Sie ein, wie lange Carl Zeller und sein 'Vogelhändler' noch auf sich warten lassen?


VON DER WIENER ZUR AMERIKANISCHEN OPERETTE



Alles fängt mit dem irischen Cellospieler Victor Herbert (1859 - 1924) an. Der junge Herbert reist von Dublin nach Wien, heiratet dort eine österreichische Sängerin und wandert letzten Endes mit ihr, dem Cello und dem Vorhaben, 'Wiener' Operetten zu schreiben, nach New York aus. Im Jahre 1897 erntet seine Operette 'Serenade' viel Beifall. Darauf folgen u.a. 'Naughty Marietta' und 'The Red Mill', die natürlich in den Niederlanden steht.



Aus Wien kommt der in Südungarn geborene Pianist und Violinist Sigmund Romberg (1887 - 1951) , der zum Kreise Lehárs gehörte und von Richard Heuberger Musiktheorie-Stunden bekam. Zuerst arbeitet er für den amerikanischen Markt einige Wiener Operetten um: Aus Walter Kollos 'Wie einst im Mai' wird 'Maytime' (1917) und aus Schubert-Bertés 'Dreimäderlhaus' entsteht 'Blossom Time' (1921). Aber dann gibt es 1924 'The Student Prince', die eigene Operettenbearbeitung des Studentenstücks 'Alt-Heidelberg' von Meyer-Förster, woraus ein dynamisches Trinklied später zum Welterfolg des Tenors Mario Lanza werden sollte. Es dauert nur zwei Jahre, bevor der Siegeszug des Studentenprinzen von einem neuen Romberg-Erfolg übertönt wird, und zwar vom 'Desert Song' . 'Das Lied der Wüste' spielt sich im marokkanischen Rif-Gebirge ab und wird nach einem Libretto von Oscar Hammerstein dem Zweiten (1895 - 1960) zum Klingen gebracht.

Rudolf Friml & (rechts) Sigmund Romberg
Oscar Hammerstein der Erste (1848 - 1919, in Stettin geboren und der Grossvater Hammersteins des Zweiten) schreibt die Texte für eine andere, berühmt gewordene Operette, die 1924 in Premiere geht und von einer dritten Größe aus der amerikanischen Operettenwelt in reizendeTöne gesetzt wird: Rudolf Friml (1879 - 1972). Dieser Prager Klavierspieler komponiert zuerst Klavierkonzerte, aber wirft sich dann auf das Schreiben von Operetten nach ''leidenschaftlichen Büchern''. Und so entsteht u.a. ' Rose Marie' von Friml/Hammerstein 1, eine Geschichte über Liebe, Mord und Totschlag in den kanadischen Bergen und mit Songs, die angefangen haben zum Weltrepertoire zu gehören ('Oh, Rose Marie, I love you' und 'Indian Love Call').


VON DER OPERETTE ZUM (FILM-)MUSICAL
Wüstensand in Marokko, Romantik in Kanada, Studentenfreud und -leid im europäischen Heidelberg machen jetzt der amerikanischen Wirklichkeit Platz, und das reichhaltige Musikidiom des Jazz vergrössert die Ausdrucksmöglichkeiten neuer Komponisten wie Jerome Kern (1885 - 1945), Irving Berlin (1888 - 1989) und George Gershwin (1898 - 1937).

Um das amerikanische Musikdrama literarisch auf ein höheres Niveau zu bringen, melden sich junge, vielversprechende Textbuch-Autoren. Neben den inhaltlich oberflächlicheren 'Musical Comedies', die in der europäischen Tradition wurzeln, blühen in der Neuen Welt 'Musical Plays', realistische Dramen ohne Sentimentalität auf. Bernhard Grun vertritt in seiner begeistert verfassten 'Kulturgeschichte der Operette' sogar die Meinung, dass aus den 'Musical Plays' "die Endform der Operette gestaltet" wurde.


Israel Baline, in Siberien geboren, flieht in vierjährigem Alter zusammen mit seinen Eltern und sieben kleinen Brüdern und Schwestern rechtzeitig vor den Kosaken, die im Judenviertel, worin sie leben, die Häuser in Brand stecken und die Einwohner umbringen. Die Fluchtbestimmung ist New York, wo Israel Baline, der inzwischen Irving Berlin heisst, 1921 seinen ersten Welthit komponiert: 'Alexander's Ragtime Band' Andere grosse Hits folgen: die Songs 'God Bless America', 'Remember', 'Always', 'Easterparade', die musikalische Show 'This is the Army' und das Paradebeispiel für die 'Musical Comedy' 'Annie Get Your Gun' mit dem Superhit 'There's no business like show business' (1147 Vorstellungen en suite und das allein schon am Broadway!). Im Jahre 1942 säuselt Bing Crosby im Film 'Holiday Inn' Berlin's 'I'm dreaming of a White Christmas'.

Im Jahre 1927 wagt Jerome Kern den entscheidenden Schritt zum 'Musical Play'. Er schreibt die Musik für 'Showboat', nach einem Roman mit gleichem Titel von Edna Ferber. Oscar Hammerstein der Zweite verfasst die Texte. 'Showboat' handelt von gewöhnlichen Menschen auf einem fahrenden Theaterschiff. Der Fluss, worauf das Boot fährt, ist der Mississippi, der in den Erstaufführungen am Broadway und in London vom Negersänger Paul Robeson besungen wird ('Ol'man river').







Der Autodidakt George Gershwin verbucht 1919 seinen ersten (Platten-)Erfolg mit 'Swanee' (von Al Jolson gesungen). Mehr als zwei Millionen Schallplatten von Gershwins (und Jolsons) 'Swanee' werden verkauft. Gershwins grosses Erfolgsjahr wird 1924. Dann veröffentlicht er seine 'Rhapsody in Blue'. Danach machen u.a. die Shows 'Funny Face', 'Strike up the Band' und eine Satire über die Regierung in Washington: 'Of Thee I Sing' ihn über die ganze Welt 'famous'. Im Jahre 1928 denkt er sich während einer Eisenbahnfahrt das 'symphonische Gedicht' 'An American in Paris' aus. 'An American in Paris' mutet mich als eine 'Lost in Translation' des 20. Jhts an. 'Lost in Translation' ist der schöne Oscarfilm aus dem Jahre 2003 mit Bill Murray und Scarlett Johansson, worin ein Amerikaner (Murray) sich zu kommerziellen Zwecken in Einsamkeit und von Heimweh erfüllt in Tokyo aufhält. Er erlebt die Großstadt als chaotisch. Für den 'American' von Gershwin ist Paris schon weit genug, aber genauso chaotisch. Auch er fühlt sich einsam, hat ab und zu heitere Augenblicke, aber meistens Heimweh, und in seinem Kopf geistert wiederholt jene wehmutsvolle Melodie, die wir auch aus Gershwins allerberühmtestem 'Musical Play' (oder Oper) 'Porgy and Bess' (1935) kennen: 'There's a Boat dat's Leavin' Soon for New York'.

Im selben Jahr (1928) geht auch der Film 'The Singing Fool' mit dem sogenannten 'Negersänger' Al Jolson als dem 'Singenden Narren' in Premiere.

Poster
Al Jolson


Al Jolson (1886 - 1950) ist in diesem Moment ein gefeierter Star durch seine Filmrolle in 'The Jazz Singer' (1927), der - mit Musik von Irving Berlin - als allererster Tonfilm in die Geschichte hineingeht.

In 'The Singing Fool' wird Jolson von seiner Frau verlassen, die ihren dreijährigen Sohn ('Sonny Boy') mitnimmt. Der zurückbleibende Sänger singt einen schmerzlichen Foxtrott, der - wie sentimental auch - den Zuschauer überwältigt. Die Musik dieses herzzerreissenden 'Sonny Boy' ist von Lew Brown und Ray Henderson, und die Worte sind von Buddy G. DeSylva. Al Jolson besteht darauf, dass sein Name den drei anderen hinzugefügt wird. Ich glaube, dass Paul Abraham an Al Jolson gedacht haben muss, als er seinem Publikum in der Operette 'Die Blume von Hawai' (1931) 'den (echten) Negersänger Jim Boy' mit dem Song 'Bin nur ein Jonny' vorstellte.

EIN ERFOLG NACH DEM ANDERN!
Der Siegeszug des Musicals zieht weiter:

Der Komponist Richard Rodgers (1902 - 1979) arbeitet zuerst mit dem Textdichter Lorenz Hart zusammen (u.a. 'Pal Joey' 1941 und das Lied 'With a Song in my Heart'). Lorenz Hart wird krank und stirbt. Rodgers sucht Kontakt mit 'Showboat'-Textdichter Oscar Hammerstein dem Zweiten. Ein Erfolg folgt jetzt dem andern: 1943 erscheint das 'Musical Play' 'Oklahoma' mit u.a dem Duett 'People will say, we're in love', 1945 'Carousel' mit u.a. 'You'll never walk alone', 1949 'South Pacific' und 1959 'The Sound of Music'.


Das Komponisten- und Textdichterduo Robert Wright (1914 - 2005) und George Forrest (1915 - 1999) ernten viel Erfolg mit 'Song of Norway' (1944), wofür sie sich übrigens die Musik von Edward Grieg 'leihen'.


Cole Porter (1891 - 1964) macht seine eigene Musik und die eigenen Texte. Im Jahre 1932 schreibt er für Fred Astaire das Musical 'The Gay Divorce' (mit dem stimmungsvollen 'Night and Day'), 1934 'Anything Goes' 1939 'Dubarry was a Lady', 1946 'Around the World' und 1948 sein Meisterstück nach Shakespeare: 'Kiss me, Kate'. 'Can-can', 'Silk Stockings' und das Filmmusical 'High Society (1957) mit Bing Crosby, Grace Kelly und Jazz-Trompeter Louis Armstrong sollten noch folgen. Das nette Duett 'True Love' aus 'High Society' wird zum Evergreen!


Komponist Frederick Loewe (1901 - 1988) bildet mit Textdichter Alan Jay Lerner (1918 - 1986) das x-te bedeutungsvolle Musical-Duo. Es erzielt 1947 seinen ersten Erfolg mit dem schottischen Märchenmusical 'Brigadoon'. Loewe wird in Berlin geboren und tritt schon im Alter von 13 Jahren als Pianist zusammen mit dem Berliner Philharmoniker auf. Musikstunden bekommt er von Busoni, Von Reznicek und d'Albert. Im Jahre 1924 wandert er nach Amerika aus. Anfangs halten amerikanische Musikproduzenten ihn für 'zu wienerisch', aber dann begegnet er Alan Jay Lerner und fängt ihre Zusammenarbeit an. 'Brigadoon' wird 1947 zum 'Besten Musical-Drama' ausgerufen. 1951 erscheint 'Paint your Wagon' und dann - im Jahre 1956 - das Musical, das wie eine Bombe am Broadway einschlägt: 'My Fair Lady', nach Bernard Shaws 'Pygmalion'. In den Jahren 1958 und 1960 gehen schliesslich noch 'Gigi' (als Filmmusical) und 'Camelot' in Premiere. Danach komponiert Frederick Loewe nichts mehr. Mit dem späteren, nach dem Film aus 1958 geschriebenen Musical 'Gigi' (1974) lässt er sich nicht mehr ein. Lerners Versuche, ihn dazu zu überreden, scheitern.

Die Erfolgsgeschichte des Musicals dauert bis zum heutigen Tag an. Immer wieder wurden Werke geschrieben, die sich als Welterfolge entpuppten: 'Oliver' von Lionel Hart, 'Cabaret' von John Kander, 'Cats' usw. von Andrew Lloyd Webber, um einige zu nennen. Einen Riesenwelterfolg habe ich aber noch nicht genannt. Er muss sofort in den Vordergrund gerückt werden: 'West Side Story' aus dem Jahre 1957!

Dirigent, Pianist únd Komponist LEONARD BERNSTEIN (1918 - 1990) springt 1943 bei einem Konzert Hals über Kopf als Dirigent des New York Philharmonic für Bruno Walter ein. Sein Erfolg ist immens. Publikum und Presse jubeln. Er ist über Nacht ein Star geworden. Konzerte mit Bernstein sind von diesem Augenblick an wahre Feste! Er akzeptiert keinen Unterschied zwischen U- und E-Musik. Gute oder schlechte Musik: that's the question. 1944 komponiert Bernstein Ballettmusik für den Choreografen Jerome Robbins und dirigiert sie selbst. Im selben Jahr erscheint sein erstes Musical 'On the Town'. Ballettmusik bleibt ein Schwerpunkt in seinen musikalischen Aktivitäten. 1956 findet die Erstaufführung von 'Candide' (nach Voltaire) statt. Weiter tritt er als Konzertpianist auf, wobei er zugleich vom Flügel aus das Orchester dirigiert. Im Fernsehen leitet er Konzerte für Jugendliche. Die Erläuterungen spricht er mit viel Humor selber. 'West Side Story' wird zum ersten Male im Jahre 1957 ausgeführt. Die Choreografie der grandiosen Tanz-Szenen wird von Jerome Robbins ausgeschrieben und einstudiert. Das Libretto ist von Arthur Laurents, und die Songtexte von Stephen Sondheim. Der Sohn Oscar Hammersteins des Zweiten brachte Sondheim und Bernstein (Foto!) zusammen (Später sollte Sondheim mit dem Musical 'Sweenie Todd' und dem wunderschönen Lied 'Send in the Clowns' auch als Komponist bekannt werden). 1989 dirigiert Leonard Bernstein in Berlin aus Anlass des Mauerfalls die 'Neunte' von Beethoven. Er ändert die Schiller-Überschrift 'Ode an die Freude' in 'Ode an die Freiheit'.

'The Musical Play' 'WEST SIDE STORY' verlegt die Handlung von Shakespeares 'Romeo und Julia' nach New York im Jahre 1957. Die beiden Familien, die einander nach dem Leben trachten, werden vom Librettisten in zwei Gangs umgebildet: die 'Jets'(weisse Amerikaner) und die 'Sharks' (Puertoricaner). Tony ist amerikanisch und Maria puertoricanisch. Die Handlung verläuft parallel mit der von Shakespeare. Zum Beispiel die berühmte Balkon-Szene aus 'Romeo und Julia' ist in 'West Side Story' zur Szene auf und unter einer Feuertreppe geworden.

RUDOLF SCHOCK SINGT LEONARD BERNSTEIN U.A.

Wie ich am Anfang dieses Aufsatzes schon schrieb, könnte man um Rudolf Schock eine Doppel-CD mit Musik aus amerikanischen Operetten und Musicals zusammenstellen. Zugleich könnte diese CD als auditive Illustration für die Entwicklungsgeschichte des amerikanischen 'Musical-Dramas' dienen:

RUDOLF SCHOCK




SINGT
AUS AMERIKANISCHEN
OPERETTEN & (FILM-)MUSICALS
Romberg, Friml, Berlin, Kern, Porter
Brown/Henderson, Wright/Forrest
Rodgers, Loewe, Bernstein
EXTRA:
LEONARD BERNSTEIN DIRIGIERT GERSHWIN

mit den folgenden Tracks:

Weil Alleskönner Leonard Bernstein in dieser Schock-Kompilation nur als Komponist vertreten ist, schien es mir angemessen, ihn auch als George Gershwin-Dirigenten (únd Pianisten in 'Rhapsody in Blue'!) aufzunehmen. Gershwins Musik spritzt fast buchstäblich aus den Rillen. Es ist ein komplettes Feuerwerk, und ich frage mich, warum ich jene alte 25 Cm-LP erst jetzt auf CD gebannt habe.


Mehrere Male ist die kosmopolitische Sopranistin Anna Moffo (1933 - 2007) zu hören, die im Frühling des Jahres 1971 mit Rudolf Schock, der sich kurz davor von einer Herzattacke erholt hat, eine LP mit deutschsprachiger Operette und eine LP (Eurodisc 85 110 TE) mit Musik aus amerikanischen Operetten und Musicals aufnimmt. Einer von Schocks festen Dirigenten Werner Eisbrenner (1908 - 1981) dirigiert den Berliner Symphoniker in diesen Moffo/Schock-Duetten.


Das Duett mit der Sopranistin Erika Köth aus 'Carousel' von Rodgers/Hammerstein dem Zweiten ('Tausend Sterne' auf Englisch: 'If I Loved You') wurde mir vom Schockspezialisten Herrn Ludwig Stumpff zugeschickt, wofür auch hier tausendmal Dank! Dieses Duett war in den Sechzigern und als musikalischer Wunsch im Jahre 2003 im Fernsehen zu hören.

Die ältesten Aufnahmen aus 'Rose Marie' und von 'Heimweh' sind auf CD erhältlich (Membran-Documents).
Die neueren'Aufnahmen + 'Sonny Boy' standen auf LPs mit den Nummern Eurodisc 88 957 OE ('Rose Marie') und Eurodisc 88 955 OE ('Heimweh' und 'Sonny Boy').

Die Herkunft des Liedes 'Ich erinnere mich gern' ist wissenswert. Es ist eine der letzten Schallplatten-Aufnahmen von Rudolf Schock und wird als eine Art von autobiographischer Einleitung für eine grosse Fernseh-Show (ZDF 1983) gesungen, worin der zurückblickende Sänger selber im Mittelpunkt steht. Die Show trägt denn auch den Titel: 'Ich erinnere mich gern'. Die Melodie dieses Liedes wurde von Frederick Loewe komponiert und in seinem Filmmusical 'Gigi' aus dem Jahre 1958 gesungen. In diesem Musical spielten und sangen die junge Filmschauspielerin Leslie Caron und der weitbekannte, ältere Schauspieler und Charmeur Maurice Chevalier (siehe Foto). Es ist Chevalier, der das Lied 'I remember it well' (in Duett mit einer bejahrten Dame) singt (oder besser: 'spricht'). 1983 wird Lerners Text umgeschrieben und auf Schocks Sängerkarriere konzentriert. Noch im Jahre 1983 erscheint eine LP mit Aufnahmen aus der Show, worunter Schocks 'Ich erinnere mich gern'(Ariola 205 636 - 366). Es ist verlockend, anzunehmen, dass die Idee, aus dem Chevalier-Song ein Schock-Lied zu machen, auf mindestens zwei Tatsachen beruht: 1) Auf Seite 6 der kleinen Schock-Biographie, die Friedrich Herzfeld 1962 publiziert (siehe 'Rudolf Schock in allerhand Literatur') schreibt Herzfeld, dass Rudolf Schock mit Stolz über sein elterliches Haus spricht und darin "Maurice Chevalier gleicht, dem er übrigens auch in manchem anderen Wesenszug ähnelt" und 2) Auf Seite 340 von Schocks grosser Biographie (1985) zitiert Schock einen Satz aus einer Kritik der New York Times anlässlich einer konzertanten Ausführung der 'Lustigen Witwe' in der Carnegie Hall. Die Zeitung schreibt: "Rudolf Schock hat als Danilo den Charme Maurice Chevaliers". Schock fügt aber sofort hinzu: "Der Vergleich freute und ehrte mich, allerdings hatte ich mich selber nie so gesehen". Es wäre also sehr wohl möglich, dass man hier von einem Zusammentreffen verschiedener Umstände sprechen könnte, und dass ich völlig danebenhaue!



DIE AUFNAHMEN AUS AMERKANISCHEN 'MUSICAL-DRAMAS'

stammen aus verschiedenen Perioden von Schocks Laufbahn. Die 'Serenade' (Romberg), die Ende 1978 unter Fried Walter (1907 - 1996) aufgenommen wurde, klingt selbstverständlich vokal nicht mehr so bezaubernd schön wie die beiden 'Rose Marie'-Songs aus dem Jahre 1950, aber sie hat Augenblicke, worin Schock doch das Herz berührt. Das geschieht auch in 'Maria!' aus 'West Side Story' (1971). Mit allem Gefühl für Drama, woran er so reich ist, wirft sich Schock in Tonys Lied und schafft damit die tiefgefühlte Emotion, woraus sich das darauf folgende Feuertreppenduett entwickelt. Anna Moffo's Stimme färbt warm und angenehm dunkel. Es ist eine extra Attraktion, dass Moffo und Schock die Operetten- und Musicalszenen in englischer Sprache darstellen. Schock singt äusserst konzentriert und die baritonale Stimmfarbe eignet sich ideal für diese Musikgattung. Eine an und für sich anspruchslose Melodie wie 'True Love' erfährt durch solche erfahrenen Stimmen ein betäubendes Facelifting.

(PM: Ich erinnere daran, dass Schock 1949 von Irving Berlins 'Heimweh' auch die ursprüngliche amarikanische Version 'Always' aufnahm. Im Jahre 2012 kam sie auf CD heraus. Auch in deutscher Sprache halte ich aber 'Heimweh' für ein eindrucksvolles Lied, und gewiss auf die einfühlsame und doch nicht sentimentale Weise, wie Schock es singt. 1966 ist seine Darstellung noch durchdachter. Er führt in solchen Liedern (Chansons u.d.) ein natürliches und ehrliches Sentiment, womit er auch in einer 'Halbschnulze' wie 'Sonny Boy' den Hörer überzeugt. Er schluchzt nicht á la Jolson auf, aber lässt in aller Einfachheit hören, dass der Tenor Rudolf Schock für so ein Lied ein mindestens ebenso beseelter Darsteller ist).

Krijn de Lege, 2008/2014

10.11.08

RUDOLF SCHOCK ZINGT LEONARD BERNSTEIN E.A.

RUDOLF SCHOCK ZINGT MELODIEËN UIT AMERIKAANSE OPERETTES EN (FILM-)MUSICALS





New York 1886:
Onthulling v/h
Vrijheidsbeeld





Het kan voor sommige lezers een verrassing zijn geweest, dat Rudolf Schock gedurende zijn lange zangersloopbaan veelvuldig klassieke liederen zong, in oratoria, missen en zelfs 'eigentijdse' opera's van Igor Strawinsky en Alban Berg optrad. Ook is het - zeker in Nederland - nog mogelijk, dat velen niet weten, dat Schock tussen 1936 en 1963 vooral operazanger was. Het grote aantal opera-cd's met Rudolf Schock, dat vandaag de dag te bestellen is, levert hiervoor een betrouwbaar bewijs.


Desondanks bestempelt menigeen de zanger telkens weer als een zanger van operettes. Dit komt niet in de laatste plaats door de vele operette-programma's, waaraan Schock op tv en in de concertzaal in de jaren zestig en zeventig heeft meegewerkt. Bovendien zong hij ook heel wat operette in de platenstudio's en de opnamen daarvan zijn al decennia bijna onafgebroken verkrijgbaar. Bijna, want onder die opnamen zijn nog een aantal surprises. Het blijkt daardoor bijvoorbeeld mogelijk uit Schock-opnamen een opmerkelijke dubbel-CD samen te stellen, waarop hij muziek uit Amerikaanse operettes en (film-)musicals zingt. Daarmee treedt hij - mogelijk voor velen onverwacht - in de sporen van artiesten als Gordon Mac Rae, Howard Keel, Nelson Eddy, Robert Merrill, Bing Crosby en Maurice Chevalier.
De eerste drie waren baritons en musical-grootheden, Robert Merrill (ook bariton) was hoofdzakelijk operazanger en de laatste twee noem ik eenvoudigweg 'chansonniers'. Nelson Eddy zong ook opera en Robert Merrill ook musical.
De door mij al vaker geciteerde Nederlandse opera-deskundige Leo Riemens schreef begin jaren zeventig, dat de befaamde Deense helden- en Wagnertenor Lauritz Melchior (Melchior debuteerde in 1913 overigens als bariton!) in zijn nadagen musical-melodieën voor de grammofoonplaat opnam. Melchiors mix van buitenlands accent en persoonlijke zangstijl kwam Riemens weer in de herinnering, toen hij Rudolf Schock in het musical-repertoire beluisterde.


Gordon Mac Rae
en Shirley Jones
in
'OKLAHOMA'
(Rodgers)






Bij nader inzien is Schocks uitstapje naar de Amerikaanse musical eigenlijk niet vreemd. In de loop van de muziekgeschiedenis ontwikkelt zich de operette uit de opera en de musical uit de operette. En weer geldt, dat het vaak onmogelijk is te definiëren wat nu wel of niet in welk hokje past. De grenzen tussen de genres zijn vaag en de grijze overgangsgebieden groot. Bovendien buitelen allerlei criteria over elkaar heen: nu eens is de structuur van grote (in de opera) of kleine (in de operette) ensembles bepalend, dan weer de al dan niet aanwezige satire (operettes zonder satire zijn -volgens enkele muziekkenners - van geen betekenis.) Anderen oordelen op basis van inhoudelijk en/of muzikaal hoog en laag niveau en sommigen zoeken de oplossing in de wel of niet aanwezige, gesproken dialogen.

Ik krijg de indruk, dat niet zelden de tijd, waarin een muziekdramatisch werk is ontstaan, bij een latere ordening, dus achteraf, bepalend was. Bizet's (voor de hoofdrollen) rampzalig eindigende opera 'Carmen' is blijvend veroordeeld tot het hokje van de Opéra COMIQUE. Millöcker's 'Bettelstudent' slaat temidden van 'officiële' komische opera's geen slecht figuur, maar blijft een 'operette' heten. De Johann Strauss-operettes ' Der Zigeunerbaron' en vooral 'Die Fledermaus' worden in de muzikale uitvoeringspraktijk vaak tot het opera-repertoire gerekend.




'CAROUSEL'
(Rodgers)





Onuitroeibaar is de opvatting, dat operettes en musicals altijd 'vrolijk' zijn: de latere operettes van Franz Lehár zijn helemaal niet vrolijk, omdat de hoofdrollen een grote liefde moeten opgeven en eenzaam achterblijven. Sommige opera's eindigen juist weer wél vrolijk. De operettes van Jacques Offenbach mogen - wat mij betreft - komische (en satirische) opera's heten en een 'Grosse Sünderin' (operette van Künneke) zou van mij op het grote opera-toneel best verder mogen zondigen. De operettes 'Ím weissen Rössl' (Benatzky) en 'Maske in Blau' (Raymond) zijn eigenlijk 'musical comedies' en veel van het werk van Stolz, Kreuder e.a. komt in de buurt van wat je (film-)musicals zou kunnen noemen. Het lot van Verdi's Aida en haar minnaar Radames wordt er in de musical echt niet vrolijker op en hetzelfde geldt voor het verhaal van de musical over 'Miss Saigon', in wie we (uitsluitend wat de plot betreft) moeiteloos Puccini's 'Madame Butterfly' herkennen. Bernstein's beroemde musical 'West Side Story' is een moderne versie van Shakespeare's toneelstuk 'Romeo en Julia' en u weet hoe vreselijk het met die jonge mensen afloopt.
Kortom: Rudolf Schock gaat door het zingen van Amerikaanse operettes en musicals zijn boekje niet te buiten. En als we het dan toch over Schock's boekje hebben, hoop ik door het schrijven van dit feuilleton voortdurend aan te tonen, dat zijn veelzijdigheid eerder om een dik boek, dan om 'een boekje' vraagt. Realiseert u zich, dat Carl Zeller en zijn 'Vogelhändler' nog lang op zich zullen laten wachten?

VAN DE WEENSE NAAR DE AMERIKAANSE OPERETTE
Het begint allemaal met de jonge, Ierse cellist Victor Herbert (1859 - 1924), die van Dublin naar Wenen gaat, aldaar een Oostenrijkse zangeres trouwt en tenslotte met haar, zijn cello en plannen voor het schrijven van 'Weense' operettes naar New York emigreert. In 1897 oogst 'Serenade' veel waardering, gevolgd door o.a. 'Naughty Marietta' en 'The Red Mill', die natuurlijk in Nederland staat.


Vanuit Wenen komt de in Zuid-Hongarije geboren pianist en violist Sigmund Romberg (1887 - 1951), die tot de kring rond Franz Lehár behoorde en van Richard Heuberger muziektheorie-lessen kreeg. Aanvankelijk bewerkt hij een aantal Weense operettes voor de Amerikaanse markt: Walter Kollo's 'Wie einst im Mai' wordt omgewerkt tot 'Maytime'(1917) en Schubert-Bertés 'Dreimäderlhaus' tot 'Blossom Time'(1921). Maar dan verschijnt in 1924 'The Student Prince', een eigen operette-bewerking van het studentenstuk 'Alt-Heidelberg' van Meyer-Förster, waaruit een dynamisch drinklied later tot een wereldsucces van de tenor Mario Lanza zou worden. In 1926 wordt de twee jaar durende zegetocht van de studentenprins weer overstemd door een nieuwe succes-operette van Romberg: 'The Desert Song'. 'Het lied van de woestijn' is gesitueerd in het Marokkaanse Rifgebergte en op muziek gezet naar een libretto van Oscar Hammerstein de Tweede (1895 - 1960).

Rudolf Friml
Richard Romberg









 
Oscar Hammerstein de Eerste (1848 - 1919, geboren in Stettin en grootvader van Hammerstein de Tweede) schrijft de teksten voor een andere beroemde operette, die in 1924 in premiere gaat en gecomponeerd is door een derde grootheid uit de Amerikaanse operette-wereld: Rudolf Friml (1879 - 1972). Deze pianist uit Praag componeert eerst (piano-)concerten, maar werpt zich vervolgens op het schrijven van operettes naar 'hartstochtelijke boeken'. En zo ontstaat o.a. 'Rose Marie' van Friml/Hammerstein I, een verhaal over liefde en doodslag in de Canadese bergen en met songs, die tot het wereldrepertoire zijn gaan behoren ('Oh, Rose Marie, I love you' en 'Indian Love Call').
 
VAN OPERETTE NAAR (FILM-)MUSICAL
Woestijnzand in Marokko, romantiek in Canada, studentenlief- en leed in het Europese Heidelberg maken dan plaats voor de Amerikaanse werkelijkheid en het rijke muziekidioom van de jazz vergroot de uitdrukkingsmogelijkheden van nieuwe componisten als Jerome Kern (1885 - 1945), Irving Berlin (1888 - 1989) en George Gershwin (1898 - 1937).
Om het Amerikaanse muziekdrama literair op een hoger plan te brengen, melden zich jonge, veelbelovende schrijvers. Naast de meer pretentieloze 'musical comedies', die in de Europese muziektradities wortelen, bloeien in de nieuwe wereld 'musical plays' op, realististische drama's zonder sentimentaliteit. Bernhard Grun stelt in zijn enthousiast geschreven 'Cultuurgeschiedenis van de Operette', dat zich uit de 'musical plays' "de definitieve vorm van de operette" ontwikkelt.
Israel Baline, geboren in Siberië, vlucht op 4-jarige leeftijd, samen met zijn ouders en zeven broertjes en zusjes net op tijd voor de Kozakken, die de jodenwijk, waarin zij leven, in brand steken en de bewoners vermoorden. Hun vluchtbestemming is New York, alwaar Israel Baline, die nu Irving Berlin heet, in 1921 zijn eerste wereldhit componeert: 'Alexander's Ragtime Band'. Andere enorme successen volgen: de songs 'God Bless America', 'Remember', 'Always' en 'Easterparade', de muzikale show 'This is the Army' en hét schoolvoorbeeld van de musical comedy 'Annie get your Gun' met de superhit 'There's no business like show business!' (1147 voorstellingen en suite en dat alleen al op Broadway). In 1942 zingt Bing Crosby in de film 'Holiday Inn' Berlin's 'I'm dreaming of a White Christmas'.

Het is 1927, als Jerome Kern de beslissende stap zet naar 'the musical play'. Hij maakt de muziek voor 'Showboat', gebaseerd op een gelijknamige roman van Edna Ferber. Oscar Hammerstein de Tweede (1895 - 1960) schrijft de teksten. 'Showboat' gaat over gewone mensen op een varend theater. De rivier, waarop de boot vaart, is de Mississippi, die zowel in de premiere op Broadway als in de premiere in Londen door de negerzanger Paul Robeson bezongen wordt ('Ol'man river').








De autodidact George Gershwin boekt in 1919 zijn eerste (platen)succes met 'Swanee' (gezongen door Al Jolson, over wie straks meer). Ruim twee miljoen platen van Gershwin's (én Jolson's) 'Swanee' gaan over de toonbank. Gershwin's topjaar wordt 1924, als hij zijn 'Rhapsody in Blue' presenteert. Daarna maken o.a. de shows 'Funny Face', 'Strike up the Band' en een satire over de regering in Washington: 'Of Thee I Sing' hem over de gehele wereld beroemd. In 1928 bedenkt hij tijdens een treinreis zijn 'symfonisch gedicht' 'An American in Paris', dat aandoet als een 'Lost in Translation' van de 20e eeuw. 'Lost in Translation' is de Oscar-film uit 2003 met Bill Murray en Scarlett Johansson, waarin een Amerikaan (Murray) voor (commerciële) doeleinden eenzaam en vol heimwee in een chaotisch Tokio verblijft. Voor de 'American' van Gershwin is Parijs al ver genoeg, maar net zo chaotisch. Ook hij voelt zich eenzaam, heeft soms plezier, maar vooral heimwee en door zijn hoofd spookt voortdurend die weemoedige melodie, die we ook kennen uit Gershwin's allerberoemdste 'musical play/opera' 'Porgy and Bess' (1935): 'There's a Boat dat's Leavin' Soon for New York'.
 
In het jaar 1928 gaat ook de film 'The singing Fool' in premiere met de zogenaamde 'negerzanger' Al Jolson als 'de zingende dwaas'.


poster
Al Jolson











 
Al Jolson (1886 - 1950) is op dat moment een heel grote ster door zijn filmrol van een jaar eerder in 'The Jazz Singer'. Deze film (met muziek van Irving Berlin) gaat als allereerste geluidsfilm de geschiedenis in.
In 'The singing Fool' wordt Jolson verlaten door zijn vrouw, die hun 3-jarig zoontje ('Sonny Boy') meeneemt. De achterblijvende zanger zingt een smartelijke foxtrot, die - hoe sentimenteel ook - de toeschouwer overweldigt. De muziek van dit hartverscheurende 'Sonny Boy' is geschreven door Lew Brown en Ray Henderson en de woorden zijn van Buddy G. DeSylva. Al Jolson staat er echter op, dat aan de namen van dit drietal de naam Jolson wordt toegevoegd. Ik vermoed, dat Paul Abraham Al Jolson voor ogen moet hebben gehad, toen hij in zijn operette 'Die Blume von Hawaii' (1931) 'de (echte) negerzanger Jim Boy' met de song 'Bin nur ein Jonny' ten tonele voerde.
 
HET ENE SUCCES NA HET ANDERE!
De zegetocht van de musical wordt vervolgd:












 
De componist Richard Rodgers (1902 - 1979) werkt eerst samen met textdichter Lorenz Hart (o.a. 'Pal Joey' 1941 en het lied 'With a song in my heart'). Hart wordt ziek en overlijdt. Rodgers zoekt contact met de tekstdichter van 'Showboat' Oscar Hammerstein de Tweede. Het ene succes volgt nu na het andere: in 1943 verschijnt de 'musical-play' 'Oklahoma' met o.a. 'People will say, we're in love', in 1945 'Carousel' met o.a. 'You'll never walk alone', in 1949 'South Pacific', in 1951 'The King and I ', in 1957 'Flower Drum Song' en in 1959 'The Sound of Music'.
 
Het componisten- en tekstschrijfduo Robert Wright (1914 - 2005) en George Forrest (1915 - 1999 ) hebben veel succes met 'Song of Norway'(1944), waarvoor zij overigens de muziek van Edvard Grieg 'lenen'.
 
Cole Porter (1891 - 1964) maakt zijn eigen muziek én zijn eigen teksten: in 1932 schrijft hij voor Fred Astaire de musical 'The Gay Divorce' (met het sfeervolle 'Night and Day'), in 1934 'Anything Goes', in 1939 'Dubarry was a Lady', in 1946 'Around the World' en in 1948 zijn meesterwerk naar Shakespeare 'Kiss me, Kate'. 'Can-can', 'Silk Stockings' en de filmmusical 'High Society' zouden nog volgen. In 'High Society'(1957) spelen Bing Crosby, Grace Kelly en de jazz-trompettist Louis Armstrong. Het aardige duetje 'True Love' van Crosby en Kelly wordt een evergreen.
 
Componist Frederick Loewe (1901 - 1988) vormt met tekstschrijver Alan Jay Lerner (1918 - 1986) ook een belangwekkend duo, dat in 1947 succes heeft met de Schotse sprookjes-musical 'Brigadoon'. Loewe wordt in Berlijn geboren en treedt al op 13-jarige leeftijd als pianist op samen met de Berliner Philharmoniker, Muzieklessen krijgt hij van Busoni, Von Reznicek en d'Albert. In 1924 emigreert hij naar de VS. Aanvankelijk vinden Amerikaanse muziekproducenten hem 'te Weens'. Tot hij Alan Jay Lerner ontmoet en met deze gaat samenwerken. 'Brigadoon' wordt uitgeroepen tot het 'Beste Musical-Drama van 1947'. In 1951 volgt eerst 'Paint your Wagon' en dan - in 1956 - de musical, die als een bom op Broadway inslaat: 'My Fair Lady', naar Bernard Shaws 'Pygmalion'. In resp. 1958 en 1960 gaan tenslotte nog 'Gigi' (als film-musical) en 'Camelot' in premiere. Daarna componeert Frederick Loewe niets meer. Met de naar de film uit 1958 gemaakte musical 'Gigi' (1974) wil hij zich niet meer bemoeien. Lerners pogingen hem daartoe over te halen mislukken.
 
Het succesverhaal van de musical duurt tot aan de dag van vandaag. Steeds weer worden er werken geschreven, die zich als wereldsucces ontpoppen: 'Oliver' van Lionel Bart, 'Cabaret' van John Kander, 'Cats' enz. van Andrew Lloyd Webber enz., enz. Maar wacht: laat ik 'West Side Story' uit 1957 niet vergeten!
 
Dirigent, pianist én componist LEONARD BERNSTEIN (1918-1990) valt in1943 halsoverkop in voor Bruno Walter als dirigent van de New York Philharmonic. Zijn succes is enorm. Publiek en pers jubelen. Bernstein is op slag een ster en concerten met Bernstein in het vervolg altijd een feest! Hij accepteert geen verschil tussen 'serieuze' en 'lichte' muziek. Goede of slechte muziek: that's the question. In 1944 componeert Bernstein balletmuziek voor choreograaf Jerome Robbins en dirigeert deze zelf. In het zelfde jaar verschijnt zijn eerste musical 'On the Town'. Balletmuziek blijft een centrale plaats innemen in zijn muzikale activiteiten. In 1956 gaat de 'musical play' Candide in premiere. Ook treedt hij op als concertpianist en vanaf de pianokruk leidt hij het orkest. Op de televisie geeft hij concerten voor 'jonge mensen'. De uitleg daarbij verzorgt hij zelf. In 1957 gaat 'West Side Story' in premiere. De choreografie van de grootse balletten in deze musical wordt door Jerome Robbins uitgeschreven en ingestudeerd. Het libretto is van Arthur Laurents en de songteksten van Stephen Sondheim (wordt door de zoon van Oscar Hammerstein de Tweede met Bernstein in contact gebracht. Later zou Sondheim met de musical 'Sweenie Todd" (1979) en het lied 'Send in the Clowns' ook als componist bekend worden). In 1989 dirigeert Leonard Bernstein in Berlijn ter gelegenheid van de val van de Muur de 'Negende' van Beethoven. Hij verandert het Schiller-opschrift 'Ode an die Freude' in 'Ode an die Freiheit'.

De 'musical play' 'WEST SIDE STORY' verplaatst de handeling van Shakespeare's 'Romeo en Julia' naar het New York van 1957. De twee families, die elkaar naar het leven staan, vormt de librettist om tot twee gangs: de 'Jets' (blanke Amerikanen) en de 'Sharks' (Puertoricanen). Tony is Amerikaans en Maria Puertoricaans. De handeling loopt parallel aan die van Shakespeare. Bijvoorbeeld de beroemde balkonscene uit 'Romeo en Julia' is in 'West Side Story' een scene op en onder een brandtrap.
 
RUDOLF SCHOCK ZINGT LEONARD BERNSTEIN E.A.
Zoals ik in het begin van deze bijdrage al schreef, is er rond Rudolf Schock een dubbel-CD samen te stellen, die tegelijk als auditieve illustratie kan dienen voor de ontwikkelingsgeschiedenis van 'The American Musical-Drama':
 
RUDOLF SCHOCK




SINGT AUS AMERIKANISCHEN
OPERETTEN & (FILM-)MUSICALS
von
Romberg, Friml, Berlin, Kern, Porter
Brown/Henderson, Wright/Forrest
Rodgers, Loewe und Bernstein

EXTRA:
Leonard Bernstein dirigiert Gershwin
met de volgende tracks:







Omdat alleskunner Leonard Bernstein in deze Schock-compilatie alleen als componist vertegenwoordigd is, leek het mij passend hem als George Gershwin-dirigent (én als pianist in 'Rhapsody in Blue') extra toe te voegen. Gershwin's muziek spat haast letterlijk uit de groeven. Het is één en al vuurwerk en ik vraag me af, waarom ik die oude 25 CM-LP niet eerder op CD heb gezet.
Meerdere keren is de kosmopolitische sopraan Anna Moffo (1933 - 2007) te horen, die in de vroege lente van 1971 met de intussen van een hartaanval herstelde Rudolf Schock een LP met Duitstalige operette en een LP (Eurodisc 85 110 TE) met muziek uit Amerikaanse operettes en musicals opneemt. Eén van Schock's vaste dirigenten Werner Eisbrenner (1908 - 1981) dirigeert de Berliner Symphoniker in de Moffo/Schock-duetten.
 

Het duet met de sopraan Erika Köth uit 'Carousel' van Rodgers/Hammerstein de Tweede ('Tausend Sterne' oftewel 'If I Loved You') werd mij door Schockspecialist Ludwig Stumpff toegestuurd, waarvoor ook vanaf hier duizendmaal dank! Dit duet was in de jaren zestig en in 2003 als verzoeknummer op de Duitse televisie te horen.

De oudste opnamen uit 'Rose Marie' en van 'Heimweh' zijn op CD verkrijgbaar (Membran-Documents Order Nr. 224062).
 De nieuwere opnamen + 'Sonny Boy' stonden op LP's met de nummers Eurodisc 88 957 OE ('Rose Marie') en Eurodisc 88 955 OE ('Heimweh' en 'Sonny Boy').
 
Een aardige wetenswaardigheid is de herkomst van het lied 'Ich erinnere mich gern'. Het is één van de laatste grammofoonplaat-opnamen van Rudolf Schock en wordt gezongen als een soort autobiografische inleiding op een grote TV-show, waarin de terugblikkende zanger zélf centraal staat (ZDF 1983). De show heeft dan ook als titel: 'Ich erinnere mich gern'. De melodie van dit lied is gecomponeerd door Frederick Loewe en komt uit zijn film-musical 'Gigi' uit 1958. In die musical spelen en zingen de jonge fimactrice Leslie Caron en de befaamde, oudere acteur en charmeur Maurice Chevalier (zie foto). Het is Chevalier, die het lied 'I remember it well' (in duet met een bejaarde dame) zingt (of beter: 'op noten spreekt'). In 1983 wordt Lerner's tekst herschreven en op Schock's zangersloopbaan toegespitst. Nog in 1983 verschijnt vervolgens een LP met opnamen uit de show, waaronder Schock's 'Ich erinnere mich gern' (Ariola 205 636 - 366). Het is verleidelijk aan te nemen, dat het idee om van het Chevalier-lied een Schock-lied te maken op minstens twee feiten berust: 1) Op blz. 6 van de kleine Schock-biografie, die Friedrich Herzfeld in 1962 publiceert (zie mijn tekst 'Rudolf Schock in allerlei literatuur') schrijft Herzfeld, dat Rudolf Schock met trots over zijn ouderlijk huis spreekt en dat hij in dat opzicht "lijkt op Maurice Chevalier, met wie hij nóg wel enkele karaktertrekken gemeen heeft" en 2) Op blz. 340 van Schock's grote biografie (1985) citeert Schock een zin uit een kritiek van de New York Times naar aanleiding van een concertante uitvoering van 'Die Lustige Witwe' in de Carnegie Hall. De krant schrijft: "Rudolf Schock heeft als Danilo de charme van een Maurice Chevalier". Schock voegt hier echter aan toe, dat hij zich vereerd voelt, maar dat hij zichzelf nooit zo gezien heeft. Het kan dus heel goed zijn, dat hier sprake is van een toevallige samenloop van omstandigheden en dat ik er helemaal naast zit.












DE OPNAMEN VAN AMERIKAANSE SUCCESSEN
stammen uit verschillende perioden van Schock's loopbaan. De 'Serenade' (Romberg) van eind 1978 onder Fried Walter (1909 - 1996) klinkt vocaal natuurlijk niet zo betoverend mooi als de beide 'Rose-Marie'-songs uit 1950. Maar die opname uit 1978 heeft momenten, waarop Schock je toch raakt. Dat gebeurt ook in 'Maria!' uit 'West Side Story' (1971). Met alle gevoel voor drama, dat hij rijk is, werpt hij zich in Tony's lied en schept daarmee de grote emotie van waaruit zich het daarop volgende brandtrap-duet ontwikkelt (zie hierboven). Anna Moffo's stem kleurt warm en donker. Het is een extra attractie, dat Moffo en Schock de Amerikaanse operette- en musicalscenes in het Engels zingen. Schock toont zich in de duetten uiterst geconcentreerd en de baritonale klank van zijn stem leent zich ideaal voor het genre. Bovendien krijgt een simpele melodie als 'True Love' met zulke stemmen een bedwelmende facelift.
Behalve 'Maria' zingt Schock alle soli in het Duits, waarbij ik er wel aan herinner, dat Schock in 1949 behalve van Irving Berlin's 'Heimweh' ook de oorspronkelijk Amerikaanse versie 'Always' opnam. Die opname werd in 2012 op CD voor het eerst uitgebracht. Maar ook in het Duits vind ik 'Heimweh' een indrukwekkend lied en zeker op de doorleefde, niet-sentimentele manier, waarop Schock het zingt. In 1966 is zijn voordracht zelfs nog doordachter geworden. Hij hanteert in zulke liederen (chansons enz.) een voor zichzelf sprekend sentiment, waarmee hij ook in de 'bijna-smartlap' 'Sonny Boy' de luisteraar overtuigt. Hij barst niet uit à la Jolson, maar laat in alle eenvoud horen, dat de tenor Rudolf Schock voor zo'n lied een minstens zo gedreven vertolker is.
Krijn de Lege, 2008/2014
(In december hoop ik o.a. 'Rudolf Schock op CD' te actualiseren en in 2009 vervolg ik de componistenreeks met Berté/SCHUBERT.)