"...neither Callas nor Caruso were without weaknesses, but they had an energy, that appeals to the listener and stimulates and captures the imagination. In the best of his recordings Rudolf Schock also shows exactly this quality..." (Miquel Cabruja 20.7.2004) and "...a voice for the nostalgic - but fascinating for younger vocal fans as well" (collectors-edition 2013 emi/warner-classics..."
Zo voelt Nureddin zich. Om hem draait alles in Peter Cornelius' komische opera 'Der Barbier von Bagdad' (1858).
Rudolf Schock onderstreept in zijn biografie de "onvergetelijk betoverende" Berlijnse première van deze opera in 1951. Op zijn laatste, autobiografisch gekleurde opera-LP ('Für meine Freunde' 1978) herinnert hij - niet toevallig - ook aan de Cornelius-aria 'Ach, das Leid hab' ich getragen'. Schock moet de rol van Nureddin buitengewoon graag gezongen hebben. Een gemiste kans, dat Electrola in de vroege jaren vijftig van de vorige eeuw niet de complete 'Barbier van Bagdad' met de jonge Schock heeft opgenomen. Wel verschijnt bij Electrola/Emi eind 1961 een uitvoering van Nureddin's aria:'Vor deinem Fenster die Blumen'.In 1985 maakt de 70-jarige Rudolf Schock nog mee, dat Acanta twee losse voor de radio opgenomen fragmenten op LP uitbrengt. Drie (!) complete radio-uitvoeringen uit resp. 1951, 1952 en 1957 blijven echter achter slot en grendel in de omroep-archieven. En zelfs dat niet helemaal, want van de opname uit 1951 werd eigenlijk aangenomen, dat zij was gewist.
Pas in de loop van de negentiger jaren komt op CD de uitvoering van 1952 uit en in 2002 - verrassend! - de verloren gewaande opname uit 1951. Hoe enthousiast ik ook was over die ene Electrola/Emi-opname uit 1961, pas echt gelukkig maakten mij die nieuwe, oude 'Barbiers': Zij leveren het bewijs, dat de waanzinnig verliefde Nureddin een vergeten glansrol van Rudolf Schock is.
DRIE KERSTLIEDEREN VAN PETER CORNELIUS neemt Rudolf Schock in 1964 op. Zij stonden/staan op Schock's LP/CD met kerstliederen uit dat zelfde jaar en zijn al ruim een halve eeuw onafgebroken verkrijgbaar.
PETER CORNELIUS(Mainz 1824 - Mainz 1874)
Vader Karl Cornelius was toneelspeler, oom Peter von Cornelius een gewaardeerd kunstschilder. Peter Cornelius wil ook het toneel op. Maar als zijn vader overlijdt en de 20-jarige Peter bij zijn beroemde oom gaat wonen, slaat hij een andere richting in en begint een muziekstudie. Hij wordt muziekleraar, werkt als muziekrecensent voor diverse tijdschriften en ontmoet in die hoedanigheid de pianist/componist/dirigent Franz Liszt (1811-1886). Tegelijk groeit - zoals bij Anton Bruckner - ook bij hem een diepe bewondering voor Richard Wagner. In 1856 componeert Peter Cornelius een 'Weihnachtslieder-Zyklus' (Opus 8) op eigen teksten. De zes liederen (waarvan Rudolf Schock er dus drie op CD zingt) oogsten alom waardering. Op 15 december 1858 verschijnt in Weimar zijn opera'De Barbier van Bagdad' ten tonele, maar betovering en humor van Peter Cornelius' muziek EN tekst gaan compleet verloren in een luidkeels tumult rond de dirigent van die avond: Franz Liszt. Liszt ligt al geruime tijd overhoop met de artistiek directeur van het theater en uitgerekend de première van de 'Barbier van Bagdad' wordt door aanhangers uit beide kampen aangegrepen om verschillen van inzicht over de rug van de arme Peter Cornelius uit te vechten. Franz Liszt treedt na die avond niet meer in Weimar op en Peter Cornelius trekt zijn 'Barbier' geschokt terug, legt hem in de een of andere kast of - om in de geest van de 'Barbier'-tekst te blijven - kist, en kijkt er niet meer naar om. Hij moet gevonden hebben, dat het schandaal (mede?) aan de kwaliteiten van zijn opera te wijten was.
Bijna anderhalve eeuw later vindt menig operaliefhebber, dat 'Der Barbier von Bagdad' een "vergeten meesterwerk" (Riemens) is.
Ook is het vooroordeel achterhaald, dat Wagner-fan Peter Cornelius bij het componeren van zijn theaterproduktie zich door de Duitse opera-gigant zou hebben laten beïnvloeden. Cornelius houdt gepaste afstand, gaat zijn eigen muzikale weg en lijkt Wagner in de figuur van de barbier Abul Hassan zelfs op de hak te nemen.
Cornelius verhuist naar Wenen en componeert opnieuw een opera ('Der Cid'), die notabene in Weimar en ook nog met succes in première gaat. Verder schrijft hij een aantal liederen voor solostem en koor, waaronder in 1863 op tekst van de toneelschrijver en dichter Friedrich Hebbel het mooie 'Requiem: Seele, vergiss sie nicht'. Dit ter gelegenheid van Hebbel's overlijden in dat jaar. In 1865 haalt Richard Wagner de buitengewoon vereerde Cornelius naar München, alwaar hij tot 'Professor für Rhetorik und Harmonielehre' aan het Koninklijk Beiers Conservatorium wordt benoemd. Op 26 oktober 1874 - nog geen 50 jaar oud - sterft Peter Cornelius in de zelfde stad, waar zijn korte leven in 1824 begon. In sommige opera-naslagwerken komt Peter Cornelius niet eens voor. Het lijkt er wel eens op, dat juist bescheiden mensen genoegen moeten nemen met een plekje in de marge. Maar altijd zijn er weer muziekliefhebbers, die juist die marges opzoeken en er rijkdommen ontdekken.
'Der Barbier von Bagdad'
is een Duitse 'Opéra comique'(zie ook de artikelen 'Rudolf Schock zingt Adam, Auber en Bizet'). Mozart's 'Die Entführung aus dem Serail' (1782) en Carl Maria von Weber's 'Abu Hassan' (1811) moeten als inspiratiebron voor Cornelius hebben gediend. Opmerkelijk is het feit, dat de 'Barbier' een komische opera is zonder de in dit genre gebruikelijke gesproken dialogen. Peter Cornelius zet de opera op als een tekstueel en muzikaal doorgecomponeerde opera, die aanvankelijk uit één akte bestaat. Franz Liszt (aan wie Cornelius de 'Barbier' opdraagt) adviseert hem er twee van te maken. Ook helpt hij bij de keuze uit de twee ouvertures, die Cornelius voor de 'Barbier' componeerde.
De sprookjesachtige inhoud van de opera is gebaseerd op een vertelling uit '1001 Nacht' en met de figuur van het 'autodidactisch universeel-genie Abul Hassan Ali Ebn Bekar' lijkt Peter Cornelius op mild-ironische manier de alles en iedereen overschaduwende 'totaalkunstenaar' Richard Wagner te relativeren. De eigenlijke hoofdpersoon is echter de jonge heethoofd Nureddin, die waanzinnig verliefd is op Margiana. Op het moment, dat Nureddin eindelijk de kans krijgt, haar te ontmoeten, wil hij zich echter nog heel even laten scheren. Dat 'heel even' groeit uit tot een uiterst frustrerende, ellenlange (maar voor ons amusante) confrontatie met de zwetsende en zichzelf hoogst gewichtig nemende Abul Hassan. Abul blijft Nureddin in de weg lopen en duikt zelfs als raaskallende stoorfactor op voor het raam van de kamer, waarin Nureddin en Margiana elkaar hun liefde betuigen. Maar alles loopt natuurlijk goed af: Nureddin en Margiana leven nog lang en gelukkig. Abul wordt gevangen genomen en veroordeeld tot het levenslang vertellen van sprookjes aan het hof van de kalief.
Liszt dirigeert de première, wat dus uit de hand loopt. Voor Cornelius heeft de 'Barbier' afgedaan. Twee jaar na zijn dood voert men het werk nog een keertje op in Hannover, maar ook daar wordt het geen succes. In 1882 brengt de Wagner-dirigent Felix Mottl(1856-1911) het werk terug tot één akte. Hij geeft de instrumentatie wagneriaanse trekjes en is van plan bij de nieuwe première, die hij zelf zal dirigeren, Cornelius' 2e (D-Dur 6/8-)ouverture in te zetten. Het voordeel daarvan zou zijn, dat deze ouverture overduidelijk preludeert op de muziek van de opera zelf. De eerste (h-Moll 3/4-)ouverture staat meer los van de opera. Op 1 februari 1884 dirigeert Felix Mottl de opera in Karlsruhe en vastgesteld kan worden, dat de Cornelius/Mottl-'Barbier' daarna twee decennia lang in Duitsland uitgevoerd wordt. Dan speelt in Weimar de oorspronkelijke Cornelius/Liszt-versie weer een rol ondanks het feit, dat Cornelius' weduwe de originele partituur "ter wille van de nagedachtenis van haar man" niet meer ter beschikking stelt. Maar met behulp van de orkeststemmen van de oorspronkelijke uitvoering wordt de eerste partituur gereconstrueerd, waarna deze op 10 juni 1904 voor de 2e keer te Weimar in première gaat. Ik krijg de indruk, dat de opera daarna zo nu en dan in beide versies gespeeld wordt. In 1922 boekt de Berlijnse Staatsopera met de 'Barbier van Bagdad' opeens een publiekssucces en zij doet dit met de lichtvoetiger, originele Cornelius/Liszt-versie. Maar ook dan verdwijnt de 'Barbier' weer naar de achtergrond. Kort na de 2e wereldoorlog krijgt hij echter een nieuwe kans: Eind 1949 wordt het werk - samen met Puccini's 'Gianni Schichi' - aan de Weense Staatsopera tien keer heropgevoerd. Otto Edelmann is Abul, Anton Dermota en Julius Patzak zingen om de beurt Nureddin en Sena Jurinac is Margiana. Otto Ackermann dirigeert. Midden 1951 gaat het werk onder regie van Ernst Legal aan de Berlijnse Staatsopera in première. Heinrich Pflanzl, Rudolf Schock en Elfriede Trötschel (zie foto) zingen de belangrijkste rollen, Leopold Ludwig dirigeert en de voorstelling is "onvergetelijk betoverend" (Schock).
Er zijn o.a. radio-uitvoeringen uit Keulen (eind 1951 onder Joseph Keilberth ) en Wenen (eind 1952 onder Heinrich Hollreiser). In 1957 is er tenslotte nog een radio-uitvoering uit München onder Hans Gierster en verschijnt er een eerste commerciële studio-opname onder Erich Leinsdorf op Columbia (later Emi) met Oscar Czerwenka, Nicolai Gedda en Elisabeth Schwarzkopf. Met dit dubbele slotaccoord is het vervolgens met de 'Barbier'-opleving vrijwel gedaan. Alleen in 1973 brengt Eurodisc nog een commerciële (stereo)-versie uit onder Heinrich Hollreiser met Adalbert Kraus en Sylvia Geszty. De rol van Abul zingt in deze opname de fameuze en door Rudolf Schock ontdekte bas Karl Ridderbusch(1932-1997).
Karl Ridderbusch
Rudolf Schock zingt 'Der Barbier von Bagdad'
al in 1936 (Duisburg) en 1939 (Braunschweig), waaruit valt op te maken, dat Cornelius' 'Barbier' aan kleinere theaters zo nu en dan toch wel werd/wordt opgevoerd. In elk geval zong Schock in de jaren dertig niet de rol van Nureddin, omdat dit dan in zijn biografie zou zijn vermeld. Naast Nureddin zijn er in de opera nog vier tenorpartijen: Margiana's vader (Baba Mustapha), twee 'Muezzins' (moskee-beambten, die de gelovigen vanaf de minaret opwekken tot gebed) en een slaaf, die een pak slaag krijgt en daarom alleen maar tenoraal hoeft te jammeren. Ik houd het erop, dat Rudolf Schock één van de 'Muezzins' zong, maar dit is een slag in de lucht.
Interessant is het nog op te merken, dat de centrale partij van Nureddin vroeger decennialang door 'jugendliche' en zwaardere heldentenoren werd gezongen. Dat moet voor die vaak minder flexibele stemmen niet eenvoudig zijn geweest. In de literatuur over de opera wordt menig keer de lastigheid van de rol genoemd. De zanger wordt geacht snel achter elkaar van het ene register in het andere te 'glijden' ('passagio'). De toonhoogte schiet van laag naar hoog, van borst- naar kopstem en omgekeerd. Mogelijk, dat de rol daarom later vooral door zangers wordt gezongen, die behalve de kwaliteiten van een 'heldische' ook die van een 'lyrische' tenor in huis hebben. O.a. de jonge Rudolf Schock beschikte in de jaren na de 2e wereldoorlog over deze kwaliteiten en het is daarom logisch, dat hij al spoedig als een geschikte zanger voor de rol van Nureddin aangemerkt werd.
- Berlijn, 22 mei 1947: 1e scene 1e akte (Nureddin/dienaren): 'Sanfter Schlummer wiegt ihn ein' met het RIAS Kammerchor en het RIAS-Symphonieorchester. Dir. WALTER SIEBER. (op CD's vanAcanta, Delta, Laserlight enz. Is als bonus toegevoegd aan de complete opname van de 'Barbier' op Gebhardt JGCD 0048-2).
Het Berlijnse kamerkoor en symfonie-orkest werden met geldelijke hulp van de Amerikanen opgericht op 16 november 1946 en hadden hun thuisbasis in de Amerikaanse sector van Berlijn. Een klein jaar werd er hard gewerkt aan de selectie van koorzangers en musici en er waren de nodige repetities. Het eerste concert vond plaats aan het begin van het seizoen 1947/1948 in het Titaniapalast. De dirigent was Walter Sieber.Schock's vroegste Nureddin-opname stamt dus uit de periode tussen oprichting van koor en orkest en hun eerste concert en werd voor het eerst uitgebracht op LP in 1985. Inmiddelt komt zij op vele CD's met Schock-operarecitals voor. Het koor van de dienaren, dat de smoorverliefde Nureddin in slaap zingt, klinkt nogal dof, maar Schock's smachtende stem is van fluweel. Ik beleefde in 1985 die nadrukkelijk dromerige opname als een sensatie.
- Hamburg, 22 maart 1951: duet Nureddin-Margiana 2e akte: 'O holdes Bild in Engelschöne' met Lore Hoffmann (Margiana) en het Hamburger Rundfunkorchester. Dir. WALTER MARTIN. (Op Schock-operarecital-CDs van Acanta, Delta, Relief enz. Is eveneens als bonus toegevoegd aan de complete opname van'de 'Barbier' op Gebhardt JGCD 0048-2).
Het liefdesduet uit de 2e akte vormt het hart van een langere scene met de 'Muezzins' ( zie hierboven) en Abul Hassan-voor-het-raam. De melodie is prachtig en zou eigenlijk een opera-hit moeten zijn. De uitvoering van Schock en Hoffmann roept éen en al verrukking op. Leo Riemens veronderstelt in zijn 'Groot Operaboek' (Elsevier 1959), dat Peter Cornelius dit duet als een parodie heeft bedoeld op het grootse liefdesduet van Tristan en Isolde uit Richard Wagner's gelijknamige opera. Riemens ziet zelfs tekstovereenkomsten. Ik denk, dat Riemens' veronderstelling niet juist kan zijn: Cornelius' opera ging in première in 1858, Wagner's 'Tristan und Isolde' in 1865. Het zou dus eerder omgekeerd kunnen zijn: de grote Wagner liet zich inspireren door de kleine Cornelius (maar u moet niet denken, dat ik dat geloof!).
De lyrische sopraan Lore Hoffmann(1911-1996) zong vooral aan de opera-theaters van Berlijn en Hamburg (o.a. veel Mozart-rollen, Eva in Wagner's 'Meistersinger von Nürnberg', Mimi in Puccini's 'La Bohème') en was als concertzangeres actief. Samen met Rudolf Schock zingt zij in een ook op CD verkrijgbare complete radio-uitvoering (1951) van Lehárs 'Graf von Luxemburg'. Het is ongegrijpelijk, dat deze "soprano with a voice of the purest quality"(A.R.-Gramophone) nu vrijwel vergeten is. Ze kan zonder meer toegevoegd worden aan het illustere rijtje Schwarzkopf, Della Casa, Jurinac, Grümmer.
- Keulen, 19 December 1951:complete radio-uitvoering van 'Der Barbier von Bagdad'. Dirigent: JOSEPH KEILBERTH - Gebhardt Records JGDC 0048-2. (extra: de hierboven eerder genoemde losse fragmenten uit de 'Barbier' + de 1e finale van Albert Lortzing's 'Zar und Zimmermann' o.l.v. Walter Martin met o.a. Margot Guillaume, Rudolf Schock en Horst Günther).
Rudolf Schock is de ster van de opname. Hij zingt met overweldigende overgave. De jonge Nureddin raakt hopeloos gefrustreerd door Abul Hassan's niet aflatende woordenstroom en de solist Rudolf Schock lost op in de heethoofd, die hij uitbeeldt.
Kurt Böhme (1908-1989) laat het - terecht - bij een onverstoorbare aanpak van zijn rol: Cornelius heeft Abul muzikaal en tekstueel alles meegegeven om Nureddin te imponeren, te domineren én de toehoorder te amuseren. Overdrijving zou alleen maar schaden.
Kurt Böhme
Anny Schlemm (1929 en dus op het moment van de opname pas 22 jaar) is het ideale object van Nureddin's liefde. Soliste en meisjesrol vallen perfect samen. Margiana is - in deze uitvoering - zo jong als maar mogelijk is en dat is voor het toneelbeeld (want al luisterend ZIE je de handeling voor je) een groot voordeel. Bovendien klinkt de stem van Schlemm warmer dan in latere rollen. In de jaren zeventig zou zij uitgroeien tot een formidabele 'karakterzangeres' van dramatische rollen als Klytämnestra in 'Elektra' en Herodias in 'Salomé' (beide opera's van Richard Strauss).
Het sfeervolle gezang van de drie 'Muezzins' vooraf en het zich ontvouwende terzet met Abul achteraf laten de schoonheid van het duet Nureddin-Margiana (2e akte) nog beter uitkomen dan de op zich heel mooie, maar kortere, losse opname van 22 maart 1951 al doet. Dit kan ook met de directie van Joseph Keilberth (1908-1968) te maken hebben, die een strak tempo aanhoudt (Nureddin's rol wordt daardoor vocaaltechnisch nog lastiger): de opening Nureddin/dienaren duurt nog geen vijf minuten en is bij lange na niet zo dromerig als de aparte opname onder Sieber uit 1947, die bijna zeven minuten telt. Maar in het vervolg van de opera onderga je een vitale voorstelling, die mee-ademt met de geestesgesteldheid van de ongeduldige Nureddin. Bij het gebiologeerd luisteren naar het liefdesduet trek je uiteindelijk de conclusie, dat Keilberth's dirigeeropvatting een juiste is.
Deze opvoering is de oorspronkelijke versie van Cornelius/Liszt. Dus inclusief de eerste h-moll-ouverture. Ik heb geen coupures kunnen ontdekken, zodat deze 'Barbier von Bagdad' het predicaat 'volledig' echt verdient. Technisch moet de kwaliteit van het - ooit verloren gewaande - bronmateriaal beperkt zijn geweest. Het bereikte resultaat van de opnamen is echter in alle opzichten acceptabel en bij al het moois, dat de CD's te bieden hebben, neem ik een wat droge klank en een paar bijgeluiden graag op de koop toe.
- Wenen, 5 december 1952:complete radio-uitvoering van de 'Barbier von Bagdad'. Dirigent: HEINRICH HOLLREISER - Verona 27050/51 en Preiser Records 20035. (extra bij 'Preiser Records': Gottlob Frick zingt o.l.v. Wilhelm Schüchter aria's van Mozart, Nicolai, Lortzing en Verdi).
Het Italiaanse Verona-label focust met zijn CD-cover in 1992 op Rudolf Schock. Preiser Records in 2004 op Gottlob Frick , die met een mooie portretfoto (in het CD-boekje) en als extraatje zeven schitterend gezongen opera-aria's uit het Emi-repertoire wordt herdacht.
Als opname-datum noemt Preiser oktober 1952. In Schock's biografie staat 5 december 1952.
Gottlob Frick (1906-1994), de zanger met misschien wel de allermooiste, 'zwarte' basstem van de 20ste eeuw, is als de barbier voor Nureddin een haast niet te omzeilen, reusachtige hinderpaal. Abul's verschijnen na Nureddin's emotionele aria 'Ach, das Leid hab ich getragen, Wie ertrag ich nun mein Glück?' heeft een sacrale dimensie. Abul's wartaal is vocaal van een imposante pracht. Eén criticus vindt Gottlob Frick te serieus in de rol, maar Cornelius' humor komt juist tot zijn recht in de krasse tegenstelling van heilige ernst en verbale nonsens (doet mij denken aan een soortgelijk hilarisch contrast in de blijspelen van Molière, waarin oppermachtige doktoren, juristen, natuurkundigen en filosofen in eindeloze monologen hun vermeende deskundigheden uitkramen).
Joseph Keilbert's dirigeeropvatting vond ik een juiste, maar die van Heinrich Hollreiser (1913-2006) is ook niet te versmaden. Bij Hollreiser is alles weelderiger en ernstiger, waardoor zijn opvatting in navolging van 'hogepriester' Abul Hassan nog eens extra bijdraagt aan de humoristische tegenstelling van vorm en (tekstuele) inhoud. De tempi zijn wat langzamer dan die van Keilberth (Nureddin's opening van de 1e akte duurt hier ruim vijfeneenhalve minuut), maar dat geeft de solisten meer gelegenheid de volle weelde van hun stemmen te etaleren: Rudolf Schock blijkt dan in staat tot een nóg grotere vocale virtuositeit en boet daarbij niet aan hartstocht in. Roger Pines (The Opera Quarterly 2004) prijst "his sheer abandon of the singing" en vult daarbij aan: "Schock navigates superbly through the 'passagio' (zie hierboven-kdl),an essential skill in singing Nureddin, which not even Wunderlich could have matched" Schock gaat met hart en ziel op in Nureddin, die ziek van liefde is. De introverte herhaling van de smeekbede 'Mache mein Herz gesund' na de climax van de aria 'Vor deinem Fenster die Blumen' ontroert mij telkens opnieuw. Naast Frick en Schock is in de rol van Margiana Sena Jurinac (1921) de derde luxe stem, die past in de muzikale interpretatie van de dirigent. Dit geldt net zo voor de welluidende alt van Hilde Rössel-Majdan (ook 1921) als Bostana. Haar duet met Nureddin, waarin een slim plan wordt gesmeed ('Wenn zum Gebet vom Minarett'), is het zoveelste pareltje van deze opera en opeens kiest Hollreiser voor een hoger tempo dan Keilberth. Daardoor ontrolt zich de gezongen dialoog in een sfeer van gespannenheid en opwinding. Onder de overige - voortreffelijke - solisten van de opname is als één van de 'Muezzins' ook de 23-jarige Walter Berry (1929-2000) te horen.
Muziekmagazine 'Fanfare' zet de opname in 1992 "ganz vorn" en beveelt haar zonder voorbehoud aan. Op de website van de Weense Staatsopera wordt door 'pb' Peter Cornelius' 'Barbier von Bagdad' besproken onder het kopje "Aantrekkelijke herontdekking": "...de radio-opname neemt alleen al voor zich in door de woordduidelijkheid van de zangers.....zeer luxueuze bezetting: Rudolf Schock.... hartstochtelijke uitdrukkingskracht, Sena Jurinac....stralende stem, Gottlob Frick....zijn fonkelende bas een klasse apart. Heinrich Hollreiser laat de parels van deze partituur schitteren..."
Ook deze opvoering houdt zich aan de oorspronkelijke Cornelius/Liszt-versie met de - in vergelijking met de Keilberth-opname opvallend mild ingezette - eerste ouverture. Ruim tien minuten zijn geschrapt, die bij Keilberth dus wel te horen zijn. De toevoeging van wat toneelgeluiden werkt goed, de toevoeging van hier en daar een (verduidelijkend) zinnetjes niet. De opname van Preiser is ruimtelijker dan die van Verona, maar klinkt wat 'gesmoord'. Over het geheel genomen voldoen beide opnamen goed.
- München, 18 september 1957: complete radio-uitvoering van 'Der Barbier von Bagdad'. HANS GIERSTER dirigeert koor en orkest van de Bayrischer Rundfunk (oorspronkelijke banden moeten in het archief van de Bayrischer Rundfunk zijn. Acceptabel is een copie, die het 'Hamburger Archiv für Gesangskunst' onlangs op CD heeft uitgebracht. Het bestelnummer daarvan is: 30383).
Muziekhistorisch zou er al voldoende reden zijn voor een professionele uitgave op basis van de oorspronkelijke - ongetwijfeld gave - banden. Deze uitvoering uit Wagnerstad München lijkt namelijk aardig in de buurt te komen van de nog maar zelden gespeelde Felix Mottl-versie uit 1882 (zie hierboven).
Dirigent Hans Gierster dirigeert de tweede Cornelius-ouverture, die Mottl aan het begin plaatste van zijn herziene, kortere versie van de opera. Bij Gierster duurt de opera een half uur korter dan bij Keilberth en dat komt omdat er vooral in het tweede deel van de opera flink is gesneden. De instrumentatie werd door Felix Mottl op wagneriaanse leest geschoeid. De Gierster-opname, die dikwijls een zelfde stevig tempo als Keilberth aanhoudt, klinkt desondanks zwaarder en heeft niet het lichte en naïeve van de versie uit 1858. Het ontroerende moment van Nureddin's herhaalde smeekbede 'Mache mein Herz gesund' aan het eind van zijn aria 'Vor deinem Fenster die Blumen' wordt dan ook overgeslagen. Wat we wel horen is een andersoortigeinterpretatie met solisten van grote klasse: Dorothea Siebert (1921), die net zoals Lore Hoffman om onduidelijke redenen in de vergetelheid is geraakt, zingt een uitmuntende Margiana, Rudolf Schock, in harmonie met de deels gewijzigde omstandigheden van deze 'Barbier', een overwegend 'heldische' Nureddin. Deze Nureddin is de naïeviteit voorbij. Abul Hassan heeft zijn handen aan hem vol en dat brengt Kurt Böhme ertoe - meer dan in 1951 - duidelijker uit zijn komisch reservoir te putten. Maar ook nu gaat hij daarin niet te ver.
Verder horen we als sympathieke kalief de bewonderenswaardige heldenbariton Marcel Cordes (1920-1992), als de vader van Margiana de mooie, lichte lyrische tenor Kurt Wehofschitz en drie 'gebedsomroepers', die ook in deze opname hun kleine, maar dankbare partij voorbeeldig zingen.
Over dirigent Hans Gierster (1925) is op internet de informatie schaars. Zijn naam valt wel vaak, maar nadere gegevens en/of een foto zijn moeilijk te vinden. Schock-specialist Ludwig Stumpff hielp mij echter uit de brand en stuurde mij een portretfoto van de dirigent, die u hierbij aantreft. Hans Gierster was van 1964 tot 1988 een succesvol opera- en concertdirigent in Neurenberg. Hij onderscheidde zich met name door de aandacht, die hij gaf aan werken van de 20ste eeuw. Het moet Gierster in 1957 aangetrokken hebben, juist de niet zo bekende versie van 'Der Barbier von Bagdad' aan het radio-publiek te presenteren. In 1973 dirigeerde hij voor het Eurodisc-label Rudolf Schock opnieuw in een uitgebreide opera-selectie uit Wilhelm Kienzl's 'Evangelimann'.
- Twee latere studio-opnamen:
Op 11 december 1961 zingt Rudolf Schock onder dirigent Horst Stein Nureddin's aria 'Vor deinem Fenster die Blumen'. De aria is te vinden onder de titel 'Rudolf Schock-Portrait' (Cassette met 3 CD's bij EMI onder nummer CZS 767183 2).De stereo-opname is briljant en Schock's uitvoering ook.
Op 3 april 1978 zingt Rudolf Schock onder dirigent Fried Walter Nureddin's aria 'Ach, das Leid hab' ich getragen'. Zij staat op Schock's laatste operarecital-LP 'Für meine Freunde'. Zij hoort daar thuis, omdat de zanger op deze LP o.a. herinnert aan muzikale glansrollen van weleer.
Rudolf Schock zingt kerstliederen van o.a. Peter Cornelius
Februari/Maart 1964 neemt Rudolf Schock voor BMG/Eurodisc negen bekende kerstliederen op. Op de LP, die verschijnt, worden zij aangevuld met o.a. drie kerstliederen van Cornelius en het 'Mariä Wiegenlied' van Max Reger. De Cornelius-liederen worden op de piano begeleid door Ivan Eröd (1936). De ervaren koorleider Günther Arndt (1907-1976) dirigeert Schock, het RIAS-Kammerchor/Kinderchor en de Berliner Symphoniker in de andere kerstliederen. De plaat is zorgvuldig en met niet alleen voor de hand liggende composities samengesteld. De traditionele kerstliederen, waarin koren en solist nu eens samen, dan weer afzonderlijk te horen zijn, worden in een terughoudend, maar doelmatig arrangement van Werner Eisbrenner (1908-1981) harmonisch met elkaar verbonden. Ze worden omlijst door het gebeier van de klokken van de Berlijnse Grunewaldkirche en die van de domkerken in Minden en Salzburg. Aan het eind van het programma wenst Rudolf Schock zijn luisteraars een vrolijk kerstfeest. Deze LP-uitgave komt uit in de periode, dat Rudolf Schock (bijna 50 jaar oud) zich op het toppunt van zijn populariteit bevindt. De grote opera-jaren liggen weliswaar achter hem, maar de grote televisie-jaren zijn inmiddels begonnen.
In 1987 komt de CD-versie op de markt (anno 2009 verkrijgbaar onder het label Eurodisc-Sony-Music) Schock-vereerders zijn teleurgesteld, als blijkt, dat de kerstwens is geschrapt en de in elkaar overvloeiende, oude kerstliederen zijn teruggebracht tot afzonderlijke tracks, waardoor het integrale koorconcert-karakter grotendeels is verdwenen. Ook de kerkklokken zijn op de CD niet meer te horen, al staan zij op de achterkant van de cover wel aangekondigd. Het belangrijkste is en blijft echter de feestelijke muziek, die door Schock en de andere medewerkenden indringend en zonder concessies aan de goede smaak wordt uitgevoerd. Ik kom in de verleiding hier in te gaan op de interpretatie van het wel allerbekendste kerstlied 'Stille Nacht'. Maar dat is niet van Peter Cornelius.
Rudolf Schock voert drie van de in totaal zes liederen uit, die Cornelius' 'Weihnachts-Zyklus'-Opus 8 telt. Ivan Eröd is de uitstekende begeleider op de piano. Schock zingt de liederen 1, 3 en 6: 'Christbaum', 'Die Könige' en 'Christkind' en hij doet dat met warmte en inlevingsvermogen. De liederen getuigen van Cornelius' eenvoudige en oprechte geloof in God, dat als vanzelfsprekend vorm krijgt in de warme geborgenheid van de familiekring: moeder, (waarschijnlijk ook) vader en de kinderen oftewel wij, mensenkinderen, zitten om het 'gouden licht van de kerstboom'. We kunnen 'het kerstkind' niet zoals de 'Koningen uit het Morgenland' 'wierook, mirre en goud' geven. Zo rijk zijn we niet. Maar wat we wel kunnen geven is ons hart. Het lied 'Die Könige' sluit dan ook af met een dubbele uitnodiging: eerst lijkt het lied te eindigen met 'Schenke dein Herz dem Knäblein hold', maar dan klinkt - bij Schock in mezza-voce - een nog eens extra aandringend: 'Schenk' Ihm dein Herz...'. Peter Cornelius bereikt hiermee de zelfde ontroering als bij Nureddin's 'Mache mein Herz gesund'. Alleen al om zulke momenten zoek ik de bescheiden Peter Cornelius graag op in de marge en promoveer hem daar tot één van mijn favoriete 'kleine GROTE componisten'. Krijn de Lege, 10 november 2009/30 december 2016/13 september 2026
The premiere on December 2, 1916, takes place in the midst of the First World War (1914-1918). The first two acts are set in Istanbul, the third in a Swiss hotel, on neutral ground.
The choice of Leo Fall and his librettists Julius Brammer and Alfred Grünwald for the Turkish milieu most likely testifies to grateful sympathy for the Turks, who entered the war at the end of 1914 and sided with Germany/Austria-Hungary. It feels modern and topical that in this (admittedly: rather Viennese) Istanbul, young people yearn for the modernization of the Islamic State: the daughter of the powerful Pasha, Kondja Gül, secretly reads Western-oriented novels and learns from them that she would prefer to emancipate herself sooner rather than later. Achmed Bey, the promising minister's son, laments the fate of the silent harem women. Moreover, he shows himself willing to marry only one woman and to love all women in that one woman.
About the plot of 'Die Rose von Stambul' and a number of musical highlights from the operetta:
Act 1:
Kondja Gül & Achmed Bey are destined for each other, but based on an agreement made by their respective parents. Achmed is certainly in love with Kondja, but Kondja idolizes André Lery, the author of her favorite books. She even sends him love letters. André replies and calls her 'Rose von Stambul'. What the spectator soon realizes, but Kondja does not, is that Achmed Bey & André Lery are the same person. Achmed sings 'O Rose von Stambul, nur du allein!', in which he explains why he will not keep a harem and how he intends to give form—also literarily—to a 1001 marriage with the Kondja he adores.
Act 2:
This act in particular is full of musical gems:Achmed sings the enchanting hymn of praise: 'Ihr stillen, süssen Frau'n - Euch, ihr Frauen, gilt meine Serenade'. He feels compared to those who must conceal themselves, like a "beggar kneeling before them". But later in the serenade, he ardently longs "for the day that unveils and liberates them". He will be there again on that day, but then as a "victor, kneeling before them!". Shortly thereafter, the wedding ceremony follows with an impatient Achmed and a reserved Kondja ('Sie kommt, schon naht mit Bangen'). Achmed's/André's waltz melody 'O Rose von Stambul' is the 'Leitmotiv' in this ensemble. In the bedroom, the veil falls and the couple agrees on a 'happiness according to (Western) fashion, with a four-week trial period'. During that month, it must become clear that they truly love each other. Kondja, who is drinking alcohol for the first time in her life, almost gives in after all, and that happens in Leo Fall's ecstaticdance duet 'Ein Walzer muss es sein!'. The rhythm of this dance -now accelerating, then slowing down - and various timbres fit seamlessly, both musically and thematically, with the action. The deeper intentions of the lovers are reflected in and underscored by this jubilant hymn of praise in three-quarter time. Kondja still puts up a slightly mocking protest: 'SO ONLY a waltz?, but during his wedding night, Achmed keeps hammering away at the 'unconditional' surrender to this unadulterated erotic dance, which the girl had danced so often in her dreams but had never experienced in reality: 'Willst du keinen Himmel brauchen?/Willst du einmal untertauchen/in ein Meer von Lust?/Willst du einmal Nektar schlürfen?/Willst du einmal wissen dürfen/was du nie gewusst! (Do you not want to need heaven for once?/Do you want to dive in/in a sea of lust for once?/Do you want to drink nectar with pleasure for once?/Do you want to be allowed to know/what you have never known!)'. Kondja still manages to escape Achmed and leaves Turkey.
Act 3:
A few days later, Achmed sits in his luxury room at a Swiss hotel in his capacity as a prominent writer and tries to accept that Kondja loves a dream image and not him. But that costs him effort, 'weil er so aufgelegt ist (because he desires her so much)!'. And then another one of those unique Leo Fall melodies sounds ("a graceful anticlimax" - Volker Klotz), a charming little waltz that Achmed sings to himself with feigned nonchalance: 'Zwei Augen, die wollen mir nicht aus dem Sinn/Heut' wär' ich so in der gewissen, der zärtlichen Stimmung - Schade... (Two eyes, I just can't get them out of my mind/Today I would have been in the right, the tender mood - Alas, alas...)'. Kondja, who dared to meet 'André' in a Swiss hotel, receives the devastating news that Mr. Lery has reserved a suite for himself and his wife. Fortunately for Kondja, Achmed does not enjoy his 'joke' for too long and now reveals himself as well. The four-week trial period negotiated by Kondja is the final obstacle on the way to Achmed's suite, but Kondja clears that hurdle with flair: In great excitement, she tears off 28 calendar pages and uses them to set her and Achmed's time to her small, emancipated hand.
Both recordings with Rudolf Schock from'Die Rose ...'
are conducted by the German conductor Franz Marszalek (1900-1975) and the Austrian conductor/arranger Frank Fox (1909-1965). Franz Marszalek steals the show, but Frank Fox is fine too.
Franz Marszalek, who led the WDR-Cologne orchestra from 1949, still is considered as a great operetta conductor. The famous German soprano Anny Schlemm (b. 1929), who sang a great deal of operetta under Marszalek in her younger years, in addition to oratorio and opera, once respectfully called him the "Karajan of operetta" in a guarded moment (for we know this now), and that becomes understandable when you listen to his recordings. Franz Marszalek was active in the theater, film, radio (including as 'Herr Sanders', who 'opens his record collection'), and television. In the 1950s alone, he conducted 60 complete operettas for radio, and later he was also the central conductor of the TV operettas produced and directed by Kurt Wilhelm. Many of the operettas conducted by Franz Marszalek do not belong to the standard repertoire, but have now been recorded—partly thanks to him—and have since been released on CD. Franz Marszalek championed the work of unjustly underestimated, yet musically very significant composers such as Leo FallandEduard Künneke , the latter of whom became a close friend of Marszalek. For those recordings, Marszalek managed to engage all kinds of up-and-coming operetta and opera talents, including the three great German tenors of the second half of the last century: Peter Anders, Rudolf Schock, and Fritz Wunderlich. With Schock, Marszalek recorded four complete operettas for radio: 'Eine Nacht in Venedig' byJohann Strauss Jr., 'Die grosse Sünderin' by Eduard Künneke, 'Der Orlow' by Bruno Granichstaedten, and ...
... on CD in the shade of Franz Lehár's 'Paganini':'Die Rose von Stambul' by Leo Fall:
Franz Marszalekconducts the few but essential excerpts from 'Die Rose von Stambul' with tight dynamics. Towards the climax, I experience the major waltz duet from the second act as a grandiosely directed spectacle of musical instruments playing simultaneously, in which the frenzied sounds of a violin and a small piano surface and the voices of the soloists "dive into a sea of lust".
Kondja is sung by Ursula Kerp, a playful-sounding, soubrette-like soprano, of whom I unfortunately know little. Her sparkling voice can be heard in many radio operettas from the 1950s. But she was also one of the flower girls in Richard Wagner's opera 'Parsifal' (1960) at the Scala in Milan. She performed there, together with singers such as Sándor Kónya (Parsifal), Gustav Neidlinger, Boris Christoff, and the Belgian alto Rita Gorr. André Cluytens, yet another famous Belgian, conducted. In an LP recording (also on CD?) of Humperdinck's 'Hänsel und Gretel', Ursula Kerp sings the 'Sandmännchen'. Otto Matzerath conducts the opera, and the roles of Hänsel and Gretel are sung by Elisabeth Grümmer and Erika Köth.
Rudolf Schock is Achmed Bey:
The Marszalek recording from 1950 (will the complete recording surface on a festive day after all?) features Rudolf Schock as Achmed in one of his most overwhelming operetta roles. The radio microphone captures the sheen of velvet and the sparkle of steel in the young, uninhibited singing voice. On EMI in 1952, the title song under Schüchter stays close to that.
In the sonically superior stereo recordings of 1962 on Eurodisc, velvet and sparkle are still present in more than sufficient measure, and Schock proves once again, with expressive vocals, his affinity with the role of Achmed and the music of Fall:
Köth&Schock in'Die Rose von Stambul' (1962)
Conductor Frank Foxleads the Berliner Symphoniker in a compelling performance, and Schock's partner is a lovely and measured Erika Köth. In the intense waltz scene, Kondja credibly manages to maintain (some) distance from the impetuously intruding Achmed for as long as possible: her 'ALSO NUR ein Walzer?/ SO ONLY a waltz?' therefore sounds delightfully ironic. The composition of the studio recording largely coincides with the radio fragments from 1950 unearthed by 'Membran'. However, Membran does not have the introductory ensemble on the wedding ceremony from the second act ('Sie kommt, schon naht mit Bangen'), but it does have the opening scene with the duet in the bedroom ('Das ist das Glück nach der Mode'). Unfortunately, Eurodisc has CUT Achmed's 'Zwei Augen, die wollen mir nicht aus dem Sinn' from the 3rd act IN HALF! However, the song was actually recorded in its entirety in 1962, as it previously appeared separately on a Schock LP featuring operetta songs.
In a 1963 live recording of the waltz scene from Munich, Schock's Achmed remains as fiery as ever, this time for Ingeborg Hallstein (b. 1933), who sings Kondja with style.
D e u t s c h :
Die Premiere am 2. Dezember 1916 findet mitten im Ersten Weltkrieg (1914-1918) statt. Die ersten beiden Akten spielen sich in Istanbul ab, der dritte in einem schweizerischen Hotel, auf neutralem Boden. Die Wahl von Leo Fall und seinen Librettisten Julius Brammer und Alfred Grünwald für das türkische Milieu zeugt höchstwahrscheinlich von dankbarer Sympathie für die Türken, die sich Ende 1914 in den Krieg mischen und dabei die Seite von Deutschland/Österreich-Ungarn wählen. Modern und aktuell mutet an, dass in der - zugegeben: ziemlich wienerischen - Hauptstadt Istanbul Jugendliche nach Modernisierung des islamitischen Staates verlangen: die Tochter der mächtigen Pascha, Kondja Gül, liest heimlich westlich orientierte Romane und lernt daraus, dass sie sich lieber heute als morgen emanzipieren möchte. Achmed Bey, der vielversprechende Sohn des Ministers, beklagt das Schicksal der schweigenden Haremfrauen. Überdies zeigt er sich bereit, nur eine einzige Frau zu heiraten und in dieser einen alle Frauen liebzuhaben.
Über die Handlung der 'Rose von Stambul' und eine Anzahl Höhepunkte daraus:
1. Akt: Kondja Gül und Achmed Bey sind füreinander bestimmt, aber leider schon bei der Geburt von ihren beiderseitigen Eltern. Achmed liebt Kondja zwar, aber Kondja schwärmt für André Lery, den Verfasser ihrer Lieblingsbücher. Sie sendet ihm sogar Liebesbriefe. André antwortet und nennt sie 'die Rose von Stambul'. Was der Zuschauer schon bald weiss, ist, dass Achmed Bey und André Leryein und dieselbe Person sind. Achmed singt 'O, Rose von Stambul, nur du allein', worin er deutlich macht, dass er keinen Harem besitzen will und welches Bild er sich - auch literarisch - von einer Tausendundeine Nacht-Ehe mit der von ihm angebeteten Kondja macht.
2. Akt: Besonders dieser Akt ist voll musikalische Perlen. Achmed singt das bezaubernde Loblied: 'Ihr stillen süssen Frau'n - Euch, ihr Frauen. gilt meine Serenade'. Er fühlt sich, verglichen mit ihnen, die sich verschleiern müssen, wie ein'Bettler, der vor ihnen kniet'. Aber später im Ständchen verlangt er feurig 'nach dem Tag, der sie entschleiert und befreit'. Er wird an diesem Tag wieder da sein, aber dann als 'Sieger, der vor ihnen kniet!'. Kurz darauf folgt die Hochzeitszeremonie mit einem ungeduldigen Achmed und einer zurückhaltenden Kondja ('Sie kommt, schon naht mit Bangen'). Achmeds Walzermelodie 'O, Rose von Stambul' ist in diesem Ensemble 'Leitmotiv'. Im Schlafgemach fällt der Schleier, und wird das Paar sich einig über ein'Glück nach der(westlichen)Mode, mit einer Probezeit von vier Wochen'. In diesem Monat muss sich zeigen, dass sie sich wirklich lieben. Beinahe erklärt Kondja, die zum ersten Mal in ihrem Leben Alkohol trinkt, sich dann doch noch besiegt, und das geschieht in Leo Falls ekstatischen Tanzduett "Ein Walzer muss es sein!":
Dieser Walzer ist das treffendste Beispiel für das, was ich zu Anfang dieser Aufzeichnungen meinte: der Rhythmus dieses Tanzes - bald beschleunigend, bald bremsend - und eine Vielfalt der Klangfarben passen musikalisch und inhaltlich nahtlos zur Handlung. Die tieferen Absichten des Liebespaars spiegeln sich in diesem jubelnden Lobgesang im Dreivierteltakt wider und werden dadurch wonnevoll unterstrichen. Kondja sträubt sich noch ein bisschen und spottet dabei: 'ALSO NUR ein Walzer??', aber Achmed hämmert in seiner Hochzeitsnacht Kondja pausenlos ins Bewusstsein, sie müsse sich 'unbedingt'dem (unverblümt erotischen) Walzer ergeben, jenem Tanz, den das Mädchen schon so oft in ihren Träumen getanzt, aber nie in Wirklichkeit erfahren hatte: 'Willst du keinen Himmel brauchen?/Willst du einmal untertauchen/in ein Meer von Lust?/Willst du einmal Nektar schlürfen?/Willst du einmal wissen dürfen/was du nie gewusst!'. Es gelingt Kondja aber doch, Achmed zu entkommen. Sie verlässt die Türkei.
3. Akt: Achmeds 'Alter ego': der prominente Schriftsteller André Lery sitzt einige Tage später ein wenig traurig in der Suite eines schweizerischen Luxushotels. Er versucht, zu akzeptieren, dass Kondja nicht ihn, sondern ein Traumbild liebt. Das kostet ihn Mühe, 'weil er so aufgelegt ist!'. Und dann klingt wieder so eine grossartige Leo Fall-Erfindung ("eine achselzuckende...anmutige Antiklimax"- Volker Klotz), ein kleine, wehmütige Melodie, die Achmed gespielt nonchalant vor sich hin singt:'Zwei Augen, die wollen mir nicht aus dem Sinn....Heut wär' ich so in der gewissen, der zärtlichen Stimmung....schade, schade...'.
Kondja, die es gewagt hat, mit 'André' in einem schweizerischen Hotel abzusprechen, erfährt die niederschmetternde Mitteiling, Herr André Léry habe eine Suite für ihn selbst und fur seine Frau reserviert. Zum Glück für Kondja kostet Achmed den 'Spass' nicht zu lange aus. Er entschleiert jetzt auch sich selbst. Die von Kondja ausbedungene Probezeit von vier Wochen ist das letzte Hindernis auf dem Wege zur Suite Achmeds. Kondja macht jedoch ihre und Achmeds Zeit mit Flair gefügig und reisst mit ihrer kleinen, emanzipierten Hand achtundzwanzig Kalenderblätter ab.
Die Aufnahmen aus der´Rose von Stambul´
werden - was die Fragmente aus den Jahren 1950 und 1962betrifft - beziehungsweise von dem deutschen Dirigenten Franz Marszalekund dem österreichischen Dirigenten/ArrangeurFrank Foxgeleitet. Marszalek stiehlt die Show, aber Frank Fox zeigt sich ebenso ein hervorragender Dirigent von Falls Musik.
Franz Marszalek (1900-1975), der von 1949 ab das Kölner Rundfunkorchester leitete, galt und gilt als renommierter Operetten-Dirigent. Die bekannte Sopranistin Anny Schlemm(geb. 1929), die ausser Oratorium und Oper in ihren jungen Jahren unter Marszalek auch oft Operette sang, nannte ihn je in einem bewachten Augenblick (denn wir wissen es heute) ehrfürchtig den "Karajan der Operette". Das wird sofort verständlich, wenn man sich seinen Aufnahmen anhört. Franz Marszalek war aktiv für das Theater, den Film, den Rundfunk (als "Herr Sanders" öffnete er einst viele Male "seinen Schallplattenschrank") und das Fernsehen. In den Fünfzigern dirigierte er allein schon für den Rundfunk 60 vollständige Operetten und später war er auch der zentrale, musikalische Leiter der TV-Operetten, deren Regie der schon genannte Kurt Wilhelm führte.Viele von den Operetten, die Marszalek festlegte, gehören nicht zum Standardrepertoire, aber sind heute - mit viel Dank an ihm - wohl auf CD erhältlich. Er setzte sich für die Werke von zu Unrecht unterschätzten, aber eben musikalisch sehr bedeutungsvollen Komponisten ein, wie z.B.Leo Fall und Eduard Künneke (1883-1953), von denen letzterer sein guter Freund wurde. Marszalek wusste für diese Aufnahmen eine reiche Auswahl an anstürmendem Operetten- und Operntalent zu engagieren. Unter ihnen die drei grosseRun, deutschen Tenöre der 2. Hälfte des vorigen Jahrhunderts: Peter Anders, Rudolf Schock und Fritz Wunderlich. Mit Schock nahm Marszalek für den Rundfunk Gesamtausführungen von vier Operetten auf: von Johann Strauss Jr.: 'Eine Nacht in Venedig', von Eduard Künneke: 'Die grosse Sünderin', von Bruno Granichstaedten: 'Der Orlow' und von Leo Fall:'Die Rose von Stambul'.
Frans Marszalek leitet die erhalten gebliebenen und glücklicherweise zugleich wesentlichen Fragmente aus'Die Rose von Stambul'mit kräftiger Dynamik. Das famose Walzerduett aus dem 2. Akt erlebe ich bis zur Klimax als ein grandios geordnetes Spektakel durcheinanderspielender Musikinstrumente, worin eine ausser sich geratene Geige und ein ähnliches Klavier das gesamte Orchester überschwemmen, und die Stimmen der Solisten 'in ein Meer von Lust untertauchen'.
Kondja wird von Ursula Kerp gesungen, einer soubrettenhaften Sopranistin, von der ich leider wenig erfahren kann. Ihre hübsche, spielerisch klingende Stimme ist in vielen Rundfunk-Operetten aus den fünfziger Jahren zu hören. Aber sie ist 1960 AUCH an der Mailander Scala eins der Blumenmädchen in Richard Wagners Oper 'Parsifal'. Sie tritt dort zusammen met Sängern wie Sándor Kónya (Parsifal), Gustav Neidlinger, Boris Christoff und der belgischen Altistin Rita Gorr auf. André Cluytens, ein andrer, berühmter Belgier, dirigierte. In einer LP-Aufnahme (Auch auf CD zu haben?) von Humperdincks 'Hänsel und Gretel' singt Ursula Kerp das Sandmännchen. Otto Matzerath leitet die Oper und die Rollen von Hänsel und Gretel werden von Elisabeth Grümmer und Erika Köth dargestellt.
Rudolf Schock ist Achmed Bey
Die Marszalek-Aufnahme aus dem Jahre 1950 (Taucht an einem festlichen Tag die Gesamtaufnahme doch noch auf?) lässt Rudolf Schock in einer seiner umwerfendsten Operettenrollen hören. Der Rundfunkmikrofon registriert in der jungen, unbefangenen Stimme den Glanz von Samt und das Gefunkel von Stahl. Auf EMI, im Jahre 1952, bleibt das Titellied unter Wilhelm Schüchterganz in der Nähe. In den tontechnisch schöneren Stereoaufnahmen aus dem Jahre 1962 auf Eurodisc gibt es den Samt und das Funkeln noch in ausreichendem Masse, und beweist Schock mit ausdrucksvollem Gesang aufs neue seine Affinität mit der Achmed-Rolle und Falls Musik!
Dirigent Frank Fox(1900-1965) lässt den Berliner Symphoniker con brio musizieren, und Schocks Partnerin ist eine liebreizende, intelligent singende Erika Köth. Es gelingt dieser Kondja in der ungestümen Walzerszene glaubenswürdig möglichst lang (ein wenig) Distanz zu dem sich leidenschaftlich aufdrängenden Achmed zu wahren: ihr 'ALSO NUR ein Walzer?'klingt denn auch ironisch. Die Zusammenstellung der Studioaufnahme weicht kaum von den gut zehn Jahre älteren, ausgegrabenen Rundfunkfragmenten ab. 'Membran' hat aber nicht aus dem 2. Akt das Ensemble, das die Eheschliessung einleitet('Sie kommt, schon naht mit Bangen'), aber wohl die Anfangsszene mit Duett im Schlafgemach ('Das ist das Glück nach der Mode'). Eurodisc hat leider Achmeds 'Zwei Augen, die wollen mir nicht aus dem Sinn' aus dem 3. Akt halbiert (Schade!), obschon man es wohl vollständig aufnahm. Das komplette Lied erschien nämlich kurz danch auf einer einzelnen Schock-LP mit Operettenliedern.
In der Live-Aufnahme von 1963 aus München ist Schocks Achmed unvermindert Feuer und Flamme und dieses Mal für Ingeborg Hallstein (geb. 1933), die Kondja stilvoll singt.
N e d e r l a n d s :
De première van 2 december 1916 vindt midden in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) plaats. De eerste twee bedrijven spelen zich af in Istanbul, het derde in een Zwitsers hotel, op neutrale grond. De keuze van Leo Fall en zijn librettisten Julius Brammer en Alfred Grünwald voor het Turkse milieu getuigt hoogstwaarschijnlijk van dankbare sympathie voor de Turken, die zich eind 1914 in de oorlog mengen en de kant van Duitsland/Oostenrijk-Hongarije kiezen. Modern en actueel doet aan, dat in dit (toegegeven: nogal Weense) Istanbul jongeren naar modernisering van de islamitische staat verlangen: de dochter van de machtige Pascha, Kondja Gül, leest in het geheim Westers georiënteerde romans en leert daaruit, dat zij liever vandaag dan morgen zou willen emanciperen. Achmed Bey, de veelbelovende ministerszoon, beklaagt het lot van de zwijgende haremvrouwen. Bovendien toont hij zich bereid slechts één vrouw te trouwen en in die ene álle vrouwen lief te hebben.
Over de handeling van ´Die Rose von Stambul´ en een aantal muzikale hoogtepunten uit de operette: 1e akte: Kondja Gül en Achmed Bey zijn voor elkaar bestemd, maar wel op basis van een afspraak van hun wederzijdse ouders. Achmed is zeker verliefd op Kondja, maar Kondja dweept met André Lery, de schrijver van haar lievelingsboeken. Ze stuurt hem zelfs liefdesbrieven. André antwoordt en noemt haar 'Rose von Stambul'. Wat de toeschouwer al gauw weet, maar Kondja niet, is, dat Achmed Bey en André Lery de zelfde persoon zijn. Achmed zingt 'O Rose von Stambul, nur du allein!', waarin hij uitlegt, waarom hij er geen harem op na zal houden en hoe hij - ook literair -vorm wil geven aan een 1001-huwelijk met de door hem aanbeden Kondja.
2e akte: met name deze akte is vol muzikale parels: Achmed zingt het betoverende loflied:'Ihr stillen, süssen Frau'n - Euch, ihr Frauen, gilt meine Serenade'. Hij voelt zich vergeleken met hen, die zich moeten verhullen, als een "bedelaar, die voor hen knielt". Maar later in de serenade verlangt hij vurig 'naarde dag, die hen ontsluiert en bevrijdt'. Hij zal er op die dag weer bij zijn, maar dán als 'overwinnaar, die voor hen knielt!'. Even later volgt de huwelijksceremonie met een ongeduldige Achmed en een terughoudende Kondja ('Sie kommt, schon naht mit Bangen'). Achmed's/André's walsmelodie 'O Rose von Stambul' is in dit ensemble 'Leitmotiv'. In het slaapvertrek valt de sluier en wordt het paar het eens over een'geluk volgens de(westelijke) mode, mét een proeftijd van vier weken'. In die maand moet blijken, dat ze werkelijk van elkaar houden. Bijna geeft Kondja, die voor het eerst in haar leven alcohol drinkt, zich dan toch nog gewonnen en dat gebeurt in Leo Fall's extatische dansduet 'Ein Walzer muss es sein!'!
Die wals is een uitstekend voorbeeld van wat ik aan het begin van deze tekst bedoelde: het ritme van deze dans - nu eens versnellend, dan weer remmend - en allerlei klankkleuren passen muzikaal en inhoudelijk naadloos op de handeling. De diepere bedoelingen van het liefdespaar worden weerspiegeld ín en onderstreept dóór dit jubelende lofgezang in driekwartsmaat. Kondja stribbelt een tikje spottend nog tegen: 'ALSO NUR ein Walzer??', maar Achmed blijft in zijn huwelijksnacht maar doorhameren op de 'onvoorwaardelijke'overgave aan deze onverbloemd erotische dans, die het meisje al zo vaak in haar dromen had gedanst, maar nog nooit in werkelijkheid had ervaren:'Willst du keinen Himmel brauchen?/Willst du einmal untertauchen/in ein Meer von Lust?/Willst du einmal Nektar schlürfen?/Willst du einmal wissen dürfen/was du nie gewusst! (Wil je eens geen hemel nodig hebben?/Wil je eens onderduiken/in een zeevan lust?/Wil je eens met genot nectar drinken?/Wil je eens mogen weten/wat je nooit geweten hebt!)'. Kondja slaagt er toch nog in aan Achmed te ontsnappen en verlaat Turkije.
3e akte: Achmed zit een paar dagen later in zijn hoedanigheid van prominent schrijver op zijn luxe kamer in een Zwitsers hotel en probeert te aanvaarden, dat Kondja van een droombeeld houdt en niet van hem. Maar dat kost hem moeite, 'weil er so aufgelegt ist (omdat hij zoveel zin in haar heeft)!'. En dan klinkt er weer zo'n uniek Leo Fall-melodietje ("eengracieuze anticlimax" -Volker Klotz), een bekoorlijk walsje, dat Achmed gespeeld nonchalant voor zich uit zingt: 'Zwei Augen, die wollen mir nicht aus dem Sinn/Heut' wär' ich so in der gewissen, der zärtlichen Stimmung - Schade... (Twee ogen, die krijg ik maar niet uit mijn gedachten/Vandaag zou ik in de juiste, de tedere stemming zijn geweest - Helaas, helaas...)'.
Kondja, die met 'André' in een Zwitsers hotel heeft durven afspreken, krijgt de verpletterende mededeling, dat de heer Lery een suite heeft gereserveerd voor hemzelf én voor zijn vrouw. Gelukkig voor Kondja geniet Achmed niet te lang van zijn 'grap' en ontsluiert hij nu ook zichzelf. De door Kondja bedongen proeftijd van vier weken is het laatste obstakel op weg naar Achmed's suite, maar Kondja neemt die hindernis met flair: ze scheurt in grote opwinding 28 kalenderblaadjes af en zet daarmee de tijd van haar en Achmed naar haar kleine, geëmancipeerde hand.
De opnamen uit 'Die Rose von Stambul'
worden - voor wat beide 'Querschnitte' betreft - gedirigeerd door de Duitse dirigent Franz Marszalek(1900-1975) en de Oostenrijkse dirigent/arrangeur Frank Fox (1909-1965). Franz Marszalek steelt de show, maar Frank Fox is eveneens een voortreffelijk dirigent. Franz Marszalek, die vanaf 1949 het orkest van de WDR-Köln leidde, gold en geldt nog altijd als de meest gerenommeerde operettedirigent.
De bekende Duitse sopraan Anny Schlemm (geb. 1929), die behalve oratorium en opera in haar jonge jaren ook veel operette onder Marszalek zong, noemde hem ooit in een bewaakt moment (want we weten dit nu) eerbiedig de "Karajan van de operette" en dat wordt begrijpelijk, als je naar zijn opnamen luistert. Franz Marszalek was actief voor het theater, de film, de radio (o.a. als 'Herr Sanders', die 'zijn grammofoonplatenkast opent') en op de televisie. Hij dirigeerde in de vijftiger jaren alleen al voor de radio 60 complete operettes en later was hij ook de centrale dirigent van de tv-operettes, die de hierboven genoemde Kurt Wilhelm produceerde en regisseerde. Veel van de door Franz Marszalek gedirigeerde operettes behoort niet tot het standaardrepertoire, maar is nu - mede dank zij hem - vastgelegd en intussen op CD gezet. Franz Marszalek zette zich in voor het werk van ten onrechte onderschatte, muzikaal juist zeer belangwekkende componisten alsLeo Fall enEduard Künneke(1885-1953), van wie de laatste een goede vriend van Marszalek werd. Marszalek wist voor die opnamen allerlei aanstormende operette- én operatalenten te engageren, onder wie de 3 grote Duitse tenoren van de 2e helft van de vorige eeuw: Peter Anders, Rudolf Schocken Fritz Wunderlich. Met Schock nam Marszalek voor de radio vier complete operettes op: van Johann Strauss Jr:'Eine Nacht in Venedig', vanEduard Künneke:'Die grosse Sünderin', van Bruno Granichstaedten:'Der Orlow' en van Leo Fall:'Die Rose von Stambul'.
Leo Fall in de schaduw van Franz Lehár
Franz Marszalek leidt de enkele, maar essentiële fragmenten uit 'Die Rose von Stambul' met strakke dynamiek. Het kapitale walsduet uit het 2e bedrijf beleef ik naar de climax toe als een grandioos geregisseerd spektakel van door elkaar spelende muziekinstrumenten, waarin de uitzinnige klanken van een viooltje en een pianootje boven komen drijven en de stemmen van de solisten "in een zee van lust onderduiken".
Kondja wordt gezongen door Ursula Kerp, een speels klinkende, soubrette-achtige sopraan, van wie ik jammer genoeg weinig te weten kan komen. Haar sprankelend stemgeluid is te horen in veel radio-operettes uit de jaren vijftig. Maar zij was in de Scala van Milaan ook één van de bloemenmeisjes in Richard Wagner's opera 'Parsifal'(1960). Ze trad daar op, samen met zangers als Sándor Kónya (Parsifal), Gustav Neidlinger, Boris Christoff en de Belgische alt Rita Gorr. André Cluytens, nóg een beroemde Belg, dirigeerde. In een LP-opname (ook op CD?) van Humperdinck's 'Hänsel und Gretel' zingt Ursula Kerp het 'Sandmännchen'.Otto Matzerath leidt de opera en de rollen van Hans en Grietje worden gezongen door Elisabeth Grümmer en Erika Köth.
Rudolf Schock is Achmed Bey
De Marszalek-opname uit 1950 (komt op een feestelijke dag de volledige opnametoch nog eens tevoorschijn?) heeft als AchmedRudolf Schock in één van zijn meest overrompelende operette-rollen. De radio-microfoon registreert in de jonge, onbevangen zingende stem de glans van fluweel en de fonkeling van staal. Op EMI in 1952 blijft het titellied onder Schüchter daar dicht bij in de buurt. In de geluidstechnisch betere stereo-opnamen van 1962 op Eurodisc zijn fluweel en flonkering nog in ruim voldoende mate aanwezig en bewijst Schock met expressieve zang opnieuw zijn affiniteit met de rol van Achmed en de muziek van Fall.
Dirigent Frank Fox laat de Berliner Symphoniker meeslepend musiceren en Schock's partner is een lieftallig en met overleg zingende Erika Köth. Het lukt deze Kondja in de heftige walsscene op geloofwaardige wijze zo lang mogelijk (enige) afstand tot de onstuimig opdringende Achmed te bewaren: haar 'ALSO NUR ein Walzer?' klinkt dan ook heerlijk ironisch. De samenstelling van de studio-opname valt grotendeels samen met de door 'Membran' uitgegraven radio-fragmenten uit 1950. Membran heeft echter niet uit het 2e bedrijf het inleidende ensemble op de huwelijksvoltrekking ('Sie kommt, schon naht mit Bangen'), maar wel de beginscene met duet in het slaapvertrek ('Das ist das Glück nach der Mode'). Eurodisc heeft helaas Achmed's 'Zwei Augen, die wollen mir nicht aus dem Sinn' uit de 3e akte gehalveerd('Schade!'). Het lied is in 1962 echter wél compleet opgenomen, want het verscheen kort daarna apart op een Schock-LP met operette-liederen.
In een live-opname van dewalsscène in 1963 uit München staat Schock's Achmed onverminderd in vuur en vlam en dit keer voor Ingeborg Hallstein(geb. 1933), die Kondja stijlvol zingt.