05.12.11

RUDOLF SCHOCK ZINGT UMBERTO GIORDANO, FRANCESCO CILEA EN AMILCARE PONCHIELLI

Foto Emi Music Archive

 
Rudolf Schock zingt Umberto Giordano, Francesco Cilea en Amilcare Ponchielli

"...Schocks germanisch 'Italianità' (Italiaanse stijl) had een kwaliteit, die het waard is om herinnerd te worden" (Karl Löbl/Robert Werba in Hermes Handlexikon 'Opern auf Schallplatten' 1983) 

"Rudolf Schock had de veel geroemde en veel gezochte 'traan in de stem', die gewoonlijk Italiaanse tenoren is voorbehouden ... (Karl Schumann, Musikkritiker der Süddeutschen Zeitung)

"...in het Italiaans demonstrerend, hoe uit een Duitse Benjamino Gigli het allermooiste belcanto kon stromen" (Wolfram Schwinger 'Die Zeit' 1986)

"... de donkere, aangenaam in 't gehoor liggende, fluwelen ondertoon van zijn lyrische tenor correspondeerde volkomen met een combinatie van aangeboren muzikaliteit en stilistische zekerheid, die hem op alle terreinen van de 'ernstige' en populaire muziek van pas kwam" (C.D. Schaumkell 'Fonoforum' 1987) 

" ... steeds meer werd ik me bewust van zijn ongelooflijke muzikaliteit. Een schitterend voorbeeld horen wij in 'Rigoletto' onder Fricsay ... zijn magische halve tonen vormen een zangles op zich ... verleidingskunsten met de hoogste graad van intimiteit ..." (Paul Korenhof 'Opus klassiek.nl' maart 2006)

"... tenorstem met een bijzondere 'Schmelz', die hem ook in het Italiaanse repertoire deed uitblinken" (Daniel Hirschel 'Neue Deutsche Biographie' 23 - 2007)

Aldus een handvol citaten, die het accent leggen op live-vertolkingen, plaat- en radio-opnamen van Rudolf Schock uit het Italiaanse opera-repertoire. Ze gaan over de zanger in zijn vocaal belangrijkste periode: van 1946 tot in de jaren zestig van de vorige eeuw (zie voor details deel 3 van 'RS: zanger en vertolker' en deel 1 van 'RS zingt Gaetano Donizetti').

Schock's affiniteit met o.a. Verdi, Puccini, Donizetti, Mascagni en Leoncavallo valt eenvoudig af te leiden uit zijn optredens in een groot aantal van hun opera's, uit zijn programmakeuze bij operaconcerten en uit zijn talrijke opnamen voor radio, grammofoonplaat én film van complete Italiaanse opera's en/of fragmenten daarvan.

Twee geluidstechnisch beperkte, maar historisch interessante privé-opnamen uit 1947 onderstrepen die affiniteit. Ik ontving een cassette-bandje met die opnamen een paar jaar geleden van Mike Richter, Amerikaans verzamelaar/nonprofit-distributeur van opera-opnamen en samensteller van een 'Audio (Opera-) Encyclopedia'.
Het bandje bevond zich in de nalatenschap van Harold Byrnes (1927 - 2005), een vriend van Richter, die vanaf het eerste uur aan diens 'Encyclopedia' had meegewerkt. Harold ('Hal') Byrnes werd kort na de 2e wereldoorlog door het Amerikaanse bezettingsleger in Duitsland ingezet bij het reanimeren van het Berlijnse operaleven. In die hoedanigheid ontmoette hij Rudolf Schock.
Berlijn 1947: Harold Byrnes en Rudolf Schock
Byrnes bewonderde de tenor al snel en raakte met hem bevriend.
Uit die periode stammen de door hen zelf gemaakte opnamen van twee tenor/bariton-duetten met piano-begeleiding (van Byrnes?) uit Verdi's 'La Forza del Destino' en Puccini's 'Madama Butterfly'. Byrnes weert zich waardig in de baritonpartijen en Schock's stem glanst in die van de tenor. 'Multicultureel' aan de Verdi-opname is, dat Byrnes Italiaans zingt en Schock Duits.

In Schock's discografische nalatenschap worden behalve werken van Verdi, Puccini e.a. ook fragmenten genoemd uit opera's van Italiaanse componisten, die bij het brede publiek niet zo bekend zijn. De naam van Amilcare Ponchielli zal hier en daar nog wel aan de populaire 'Urendans' worden gekoppeld (in Nederland misschien aan 'La Courtine', gezongen door Rijk de Gooijer). Umberto Giordano is echter lastiger te plaatsen (hij moet in elk geval niet worden verward met Giordani, componist van 'Caro mio ben') en Francesco Cilea is bijna helemaal onbekend.

'VERISMO'
In mijn inleidingen bij 'RS zingt d'Albert/Bizet/Donizetti' beschreef ik al kortweg de 19e eeuwse overgang van het strenge Italiaanse 'bel canto (mooie zang)' naar een lossere zangstijl met een flinke scheut dramatische expressie. Dat nieuwe 'belcanto' klonk uit de mond van 'aardse mensen', die in de plaats kwamen van mythologische helden en heldinnen. 'Statische types' moesten wijken voor 'natuurlijker karakters' uit het dagelijkse leven, waarin meeslepend werd geleefd en gestorven. Het publiek vroeg om realistischer opera-verhalen, om grijpbare mensen in een grijpbare wereld: Het 'verismo' veroverde het muziektheater.

AMILCARE PONCHIELLI (1834 - 1886)
Amilcare Ponchielli
De latere opera's van Gaetano Donizetti, 'Carmen' van Georges Bizet uit 1875, Guiseppe Verdi's opera's vanaf 'Nabucco' (1842) en Amilcare Ponchielli's belangrijkste opera 'La Gioconda' (1876) markeren de overgang naar het 'verismo'. In Italië brengt Verdi's persoonlijk 'verismo' kwalitatief steeds hoogstaander opera's voort: zijn karakters weerspiegelen niet alleen het gedrag van 'gewone mensen', maar tegelijk de steeds weer veranderende waan van de dag, die dat gedrag beïnvloedt.
  
Ponchielli componeert met 'La Gioconda' een opera, die in Italië en Noord- en Zuid-Amerika een standaardwerk van het veristische operagenre wordt. Tevens geeft hij les aan Pietro Mascagni ('Cavalleria rusticana', 1890) en Ruggiero Leoncavallo ('Pagliacci',1892), die zo'n 15 jaar later het 'verismo' echt populair zouden maken. Giacomo Puccini ('Manon Lescaut', 1893, 'La Bohème', 1896, 'Tosca', 1900, 'Madama Butterfly' 1904) studeert ook bij Ponchielli en is evengoed schatplichtig aan het 'verismo'. Maar net zoals Verdi confronteert hij zijn operafiguren met de tijdgeest, die hen overkomt.

'La Gioconda'
leeft in Venetië en is straatzangeres (Met die andere 'Gioconda' oftewel de 'Mona Lisa' van Leonardo da Vinci's schilderij heeft zij niets van doen). De naam 'Gioconda' betekent 'met vreugde', maar het loopt zonder vreugde met haar af:
In de benedenwereld is het collega-straatzanger Barnaba, die Gioconda aanbidt. Maar haar hart klopt voor iemand van de bovenwereld: Enzo, een edelman uit Genua. Enzo is op zijn beurt verliefd op Laura, vrouw van een meedogenloze inquisiteur (ketterjager). Barnaba 'regelt' voor Enzo en Laura een nachtelijk rendezvous op Enzo's schip, maar tegelijkertijd waarschuwt hij Laura's echtgenoot.
Maria Callas als Gioconda
De dramatisch overladen operaplot sleurt de toeschouwer van de ene rampspoed in de andere. Aan het eind van de tragedie varen Enzo en Laura in een gondel het geluk (?) tegemoet, maar pleegt Giocondo zelfmoord om aan de begerige armen van Barnaba te ontkomen.

De 'Danza delle Ore (Urendans)' is een ballet, dat voorkomt in het 2e toneel van het 3e bedrijf (de opera telt 4 bedrijven): de inquisiteur geeft een feestje, omdat hij denkt zijn vrouw Laura zo juist te hebben gedwongen een flesje vergif leeg te drinken. De tenoraria 'Cielo e mar (Hemel en zee)' zingt Enzo in het 2e bedrijf op zijn schip,wanneer hij onder een sterrenhemel wacht op Laura, met wie hij zijn verraderlijk rendezvous heeft.   

Het libretto van de opera is van 'Tobia Gorrio', een pseudoniem, achter wie Arrigo Boïto (1842 - 1918) schuil gaat.
Arrigo Boïto
Gorrio/Boïto baseerde zijn tekst op een toneelstuk van Victor Hugo: 'Angelo, de tyran van Padua'. Arrigo Boïto heeft zich in de muziekgeschiedenis op twee manieren onsterfelijk gemaakt: ten eerste door het componeren van een eigen, briljante opera naar Goethe's 'Faust': 'Mefistofele' (1868). Ten tweede door het schrijven van de tekstboeken voor de absolute meesterwerken van Guiseppe Verdi: 'Otello' (1887) en 'Falstaff' (1894).
*********************************************************
Rudolf Schock zingt uit 'La Gioconda':
  •  2e akte: 'Cielo e mar' (1963)
***********************************************
Franceso Cilea (1866-1950)
Francesco Cilea (zittend) en Tito Schipa
Cilea studeert samen met Umberto Giordano aan het conservatorium van Napels. Zijn aard is terughoudend, verlegen zelfs en zijn 'verismo' uitgesproken mild: minder dramatisch, poëtischer, lyrischer.
De foto van de tenor Tino Schipa, die een beschermende hand op de schouder van een al wat oudere Cilea legt, past bij dit beeld.

Cilea maakt  indruk met zijn opera 'Adriana Lecouvreur', die in 1902 met Caruso aan de Scala van Milaan in première gaat. Vijf jaar daarvoor trekt hij in Milaan al enige aandacht met 'L'Arlesiana'.

De 24-jarige Enrico Caruso boekt in de rol van Federico zijn eerste grote Italiaanse succes. Bekend is gebleven Federico's 'lamento (klaagzang)' 'E la solita storia del pastore ('t Is het oude verhaal van de herder)'.

'L'Arlesiana'
Mogelijk was Cilea's opera uit 1897 een eerbetoon aan de Franse schrijver Alphonse Daudet (1840 - 1897), die in dat zelfde jaar overleed. In elk geval steunt het tekstboek van Leopoldo Marenco op 'L'Arlésienne', een toneelstuk van Daudet uit 1872, waarvoor niemand minder dan Georges Bizet de toneelmuziek schreef (zie ook 'RS zingt Bizet'). Bizet's 'L'Arlésienne suite' leidt tot op heden een  zelfstandig - dus los van Daudet's stuk - leven in de concertzaal. Cilea/Marenco's opera moet het hebben van sporadische uitvoeringen.

De operahandeling:
De boerenvrouw Rosa  Mamai uit Arles heeft twee zoons: een geestelijk gestoord jongetje, dat waarschijnlijk daarom figuurlijk 'L' Innocente (de onbekende)' wordt genoemd en de volwassen romanticus Federico. Federico is zomaar vanuit een overspannen fantasie ziekelijk verliefd geworden op een meisje, dat hij nog nooit heeft gezien. Voor de toeschouwers blijft zij gedurende de gehele opera ook verborgen. Niemand kent haar, op Metifio na, een paardenknecht, die Rosa laat weten, dat hij "die slet" al meer dan éen keer heeft bezocht.
Rosa doet er in het 2e bedrijf alles aan, haar petekind Vivetta met Federico te laten trouwen. Federico verlaat daarom gefrustreerd de boerderij. Hij loopt echter zijn broertje tegen het lijf, die in het gezelschap is van een oude herder. Als het jongetje in slaapt valt, haalt de herder Federico over niet weg te gaan uit Arles. Federico zingt dan zijn 'lamento' 'E la solita storia', terwijl hij het slapende jongetje toedekt: hij is jaloers op het kind, omdat het zo zorgeloos kan slapen.
In het 3e en laatste bedrijf trouwt Federico zijns ondanks met Vivetta, maar zijn onstilbaar verlangen naar 'L'Arlesiana' maakt hem waanzinnig. Hij beeldt zich in, dat 'zijn' meisje hem om hulp roept en springt uit het raam van de hooizolder de dood tegemoet. 
*************************************************************************************
Rudolf Schock zingt het 'LAMENTO' uit 'L'Arlesiana' (1954).
De opname is beschadigd.
*********************************************************************
Umberto Giordano (1867 - 1948) 
Umberto Giordano in 1896
Giordano brak in 1896 in Milaan door met de opera 'Andréa Chenier', dat een wereldsucces werd. Twee jaar later had hij opnieuw succes met 'Fedora'. Een belangrijk aandeel in dat succes had Enrico Caruso, die 'Fedora' ook in New York liet opvoeren (1906). Giordano's andere opera's sloegen minder aan, hoewel - volgens Leo Riemens in 1959 - de laatste drie "het belangrijkste is, dat Giordano heeft geschreven". Eén ervan: de eenakter 'Mese Mariano (Mariamaand)' zou Puccini tot zijn 'Suor Angelica' hebben geïnspireerd.

'Fedora' 
Prinses Fedora Romanov hoopt te trouwen met graaf Vladimir Andrejevich. Deze sterft echter voor het zover kan komen. Fedora krijgt te horen, dat de graaf vermoord is en trekt, na het personeel ondervraagd te hebben, de conclusie, dat graaf Loris Ipanov de moordenaar moet zijn. Ze zweert de dood van graaf Vladimir te zullen wreken.
In de 2e akte lokt Fedora Loris naar een feest in Parijs. Loris benadert haar. Het is duidelijk, dat hij verliefd op haar is. Fedora geeft een dubbel signaal af, waarop Loris reageert met de 'arioso (zangstuk op de grens van recitatief en aria)': 'Amor ti vieta di non amar (Liefde staat u niet toe, lief te hebben)'. Fedora  raakt er vervolgens van overtuigd, dat Loris, zijn broer en een vriend de moord gepleegd hebben. Ze stuurt iemand weg met een brief aan de autoriteiten. Als Loris later terug komt, overstelpt Fedora hem met beschuldigingen. Loris maakt haar duidelijk, dat het om een eerlijk duel ging: Vladimir had namelijk zijn vrouw verleid. Agenten staan op het punt de salon binnen te dringen om Loris te arresteren. Fedora helpt hem vluchten.
De laatste akte brengt veel ellende: Fedora en Loris zijn naar Zwitserland gegaan. Daar ontvangt Loris het bericht, dat door toedoen van een vrouw zijn broer en vriend werden gearresteerd. Zij stierven in gevangenschap onder verdachte omstandigheden en zijn oude moeder had die onheilstijding niet overleefd. Fedora geeft toe, dat zij die vrouw was. Zij sterft in Loris' armen, nadat zij heimelijk vergif heeft ingenomen.

Het libretto van Arturo Collautti - naar een toneelstuk van Victorien Sardou -lijdt onder een overdaad aan bloedstollende gebeurtenissen en doet al geruime tijd verouderd aan. Maar de tenor-arioso 'Amor ti vieta di non amar' wist gelukkig aan de vergetelheid te ontsnappen.
**********************************************************************************
Rudolf Schock zingt uit 'Fedora':
  • 2e akte: 'Amor ti vieta di non amar' (1963)
*********************************************************************
Begrafenis Umberto Giordano 14 november 1948







'Andréa Chenier'
Luigi Illica (1857 - 1919) schreef het tekstboek voor dit dramatisch enerverende werk en Giordano componeerde de prachtige muziek erbij. Een Verdi of Puccini zou zich hier niet voor geschaamd hebben. De handeling is in de geest van het 'Verismo': rauw en spannend, maar de hoofdpersonen maken een invoelbare ontwikkeling door. Hun kijk op de gebeurtenissen om hen heen verandert. Ze gaan zich in de loop van het verhaal anders gedragen en nemen daardoor grote risico's. De opera speelt zich af tussen 1789 en 1794, kort voor en gedurende de Franse Revolutie. De belangrijkste rollen zijn die van de jonge dichter Andrea Chenier, Carlo Gérard, lakei in het paleis van de gravin de Coigny en later een leider van de revolutie en Maddalena de Coigny, dochter van de gravin.

De echte dichter André Marie (de) Chénier leefde van 1762 tot 1794.
André Marie Chénier (1762 - 1794)
Zijn gedichten en pamfletten kunnen worden gezien als een vroege uiting van wat in historisch perspectief de beweging van de 'Romantiek' zou gaan heten. Romantici hadden idealen, waarmee zij aan de werkelijkheid van het leven wilden ontsnappen. Tot die idealen behoorden ook de doelstellingen van de revolutie. Het is bekend, dat de aanvankelijke revolutionair Chénier al spoedig vraagtekens zette bij die doelstellingen. Hij werd daarom als een verrader beschouwd, gearresteerd en terechtgesteld. De revolutie eet nu eenmaal graag haar eigen kinderen op. 
Dood van Marat (schilderij van Jacques Louis David)

Foto Bregenzer Festspiele 2011:
 'Andrea Chenier'/Karl Forster

De opera opent met een feest in het palein van de gravin de Coigny. De adellijke feestgangers zijn ontstemd over een gedicht, dat de dichter Andrea Chenier - op aandringen van Maddalena - voordraagt: aria: 'Un di all'azzurro spazio... (op een dag keek ik naar de blauwe hemel boven mij...)'. Hij vraagt zich daarin af, waarom niet alle mensen deel kunnen hebben aan de door God gegeven liefde van Zijn schepping. De bezoekers slaat pas echt de schrik om het hart, als de opstandige lakei Carlo Gérard de tuindeuren openzet en een hongerige groep bedelaars naar binnen laat marcheren.

Vijf jaar later (1794) zit Chenier in een Parijs' café en kijkt hij naar de massa's mensen in de straten. Hij twijfelt nu ernstig aan de zin van de revolutie (!). De revolutionairen wantrouwen en bespioneren hem. Dan verschijnt Maddalena vermomd als volksmeisje. Haar moeder is gedood en het ouderlijk huis is verwoest. Ze is ondergedoken en voorziet op twijfelachtige wijze in haar levensonderhoud. Chenier en Maddalena ontvlammen in liefde voor elkaar, maar dan verschijnt Gérard - intussen één van de kopstukken van de revolutie - ten tonele. Een spion heeft hem getipt. Gérard herkent eerst alleen Maddalena, op wie hij in zijn vorig bestaan verliefd was geworden. Maddalena glipt weg, als Gérard en Chenier duelleren. Gérard raakt gewond en pas dan heeft hij door, met wie hij gevochten heeft. Hij herinnert zich Chenier's opstandige gedicht en laat hem vluchten.

In het 3e bedrijf wordt Chenier gearresteerd. Gérard voelt zich verscheurd door het besef, dat hij alleen maar op persoonlijke wraak uit is. Maddalena meldt zich vrijwillig en is bereid zich aan Gérard te geven. Maar het goede in Gérard overwint: hij trekt de beschuldigingen tegen Chenier in en verdedigt hem bij de rechtbank. Desondanks luidt het vonnis, dat Chenier geguillotineerd zal worden.

Het laatste bedrijf:
Chenier wacht in een cel op de voltrekking van het vonnis. Hij leest aan zijn boezemvriend (Roucher) een laatste gedicht voor: 'Come un bel di di Maggio (Zoals een mooie dag in Mei)'. Maddalena laat zich door Gérard de gevangenis in smokkelen. Zij en Chenier zingen het liefdesduet 'Vicino a te...(jij komt naar me toe en de hemel verlicht de donkere ruimte)' In de vroegte van de volgende morgen beklimmen zij de wagen, die naar de guillotine rijdt.



*************************************************************************************
Rudolf Schock zingt uit 'Andrea Chenier':       
  • 1e akte: 'Un di all'azzurro spazio'/'Den Blick hatt' ich einst erhoben' (1951/1956)
  • 4e akte: 'Gleich einem Frühlingsabend (Come un bel di di Maggio)' (1956)
  • 4e akte (met Joan Hammond)'Vicino a te...' (1950)
*********************************************************************
Rudolf Schock zingt Ponchielli, Cilea en Giordano
Rudolf Schock zong Italiaanse liederen en opera-fragmenten lang niet altijd in het Duits, zoals vaak wordt gedacht en geschreven. Het lijstje van opnamen in de oorspronkelijke taal telt dan ook zo'n 60 titels in het Engels, Frans en vooral het Italiaans. Van de zes opera-fragmenten uit het werk van Ponchielli, Cilea en Giordano nam Schock er vier in het Italiaans op.

'CIELO E MAR' en 'AMOR TI VIETA'
 'Cielo e mar'  uit 'La Gioconda' van Ponchielli en 'Amor ti vieta' uit Giordano's 'Fedora' zijn Eurodisc-opnamen uit 1963.
Wilhelm Schüchter dirigeert en Rudolf Schock - uitstekend bij stem -presenteert beide aria's in het Italiaans. Daarbij zingt hij stijlvol, met flair en zonder overdrijving.

'Cielo e mar' en 'Amor ti Vieta' zijn niet op CD verkrijgbaar.
Ze staan beide op de oude LP 'Rudolf Schock - Ein Sängerportrait' (Eurodisc 70608 KR).











Het kleine, maar fijne 'Amor ti vieta' is te beluisteren op de DVD 'Rendezvous mit Rudolf Schock' (Zyx Music DVD 3202), die in december 2011 t.g.v. Schock's 25ste sterfdag is uitgebracht.

'Cielo e mar' komt verder nog voor op o.a. de LP 'Rudolf Schock - Erinnerungen an Benjamino Gigli' (Eurodisc 78571 IU).
Voor zover ik weet, staat uitsluitend op die LP  Schock's Duitstalige versie van Federico's klaagzang 'E la solita storia ('s ist die alte Geschichte)' uit Cilea's 'L'Arlesiana'.

'S' IST DIE ALTE GESCHICHTE VON DEM HIRTEN (E la solita storia)'
werd door Eurodisc begin juni 1969 in het Duits opgenomen, in een week, waarin Rudolf Schock Franse opera-aria's opnam. Ik heb me dikwijls afgevraagd, hoe die vreemde Italiaanse eend in de Franse bijt gekomen is. Een reden kan zijn, dat het gewoon een misverstand was: 'L'Arlésienne' van Bizet, een recitatief, dat aan Massenet of Thomas doet denken en de lyriek van Ciléa, die eigenlijk Cilea heet. Hoe dan ook, ik ben erg gelukkig met dit aangrijpend gezongen 'lamento'. Voor mij hoort het tot de canon van mooiste opnamen, die Rudolf Schock op plaat of band heeft vastgelegd.
Maar zoals gezegd: het Cilea-fragment vind ik alleen op de LP 'Rudolf Schock - Erinnerungen an Benjamino Gigli'.




***
'ANDREA CHENIER' (fragmenten) 
De titelrol vraagt om een 'demi-caractère tenor (tenore lirico spinto)', om een tenor, die een grote mate van lyriek kan mixen met een grote mate van dramatiek.
Zo'n tenor is per definitie buitengewoon veelzijdig (bv. Gedda en Schock), wat onverlet laat, dat aan beide uiteinden van zijn (stem)bandbreedte specialisten actief zijn, die hem in vloeiende lyriek (bv. Fritz Wunderlich) en metallieke dramatiek (heldentenoren als Mario del Monaco en in Duitsland Hans Hopf) de baas zijn.

De opnamen van rond 1950 uit de opera 'Andrea Chenier' laten horen, dat Rudolf Schock's in aanleg lyrische tenor zich op 35-jarige leeftijd al stevig in de richting van een 'tenore drammatico' heeft ontwikkeld. De baritonale klank van zijn stem en de kwaliteit van het hogere middenregister bieden daarvoor een solide basis.

'UN DI ALL'AZZURRO SPAZIO'
Chenier's protestsong uit het 1e bedrijf neemt Rudolf Schock in 1956 voor Electrola op. In het Duits en onder Wilhelm Schüchter.
In 1985 blijkt echter, dat er al langer een opname in het Italiaans (ook met Schüchter) van de aria bestaat. Dan verschijnen er namelijk - t.g.v. Schock's 70ste verjaardag - op het Acanta-label acht LP's met grotendeels nooit uitgebrachte opera- en operette-opnamen uit diverse radio-studio's. Daaronder bevindt zich 'Un di all'azzurro spazio' uit 'Andrea Chenier', opgenomen in mei 1951 te Hamburg.

Schock overtuigt geheel en al in deze verbale (en vocale) aanval van Chenier op de welgestelde adel. De declamatorische teksten oftewel gezongen uitroepen zijn met recht intimiderend en de zangerige, poëtische gedeelten zo zinnelijk als het maar kan.

Op de LP van 1985 (Acanta 40.23 552) klinkt deze absoluut óok canonwaardige radio-opname aangenaam ruimtelijk. Op CD-producties van Gala ('Rudolf Schock, the Earliest Recordings' - GL 313) en Da-music ('Rudolf Schock, Ein Portrait'- CD 870 196-2), alsmede in de internetversie op YouTube is die ruimtelijkheid onnodig versterkt. Maar moest ik een digitale opname kiezen, dan prefereer ik die van Da-music.


***
DEN BLICK HATT' ICH EINST ERHOBEN (Un di all'azzurro spazio)' 
De Duitse versie in Italiaanse stijl uit 1956 maakt declamatorisch ook de nodige indruk. Schock's stem kleurt overduidelijk baritonaler dan in 1951. Het geluid van de Electrola-opname is goed, maar pakt wat 'droog' uit (Dat was in 1956 ook het geval bij de complete Electrola-'Meistersinger' van Wagner onder Rudolf Kempe met Elisabeth Grümmer, Ferdinand Frantz en Rudolf Schock. In de VS schijnt er intussen van deze befaamde 'Meistersinger' in 2010 een geluidstechnisch sterk verbeterde versie gemaakt te zijn: label en nr.: Pristine Audio PACO 052).

Op CD staat de aria op de intussen ruim 20 jaar oude EMI 3 CD-set 'Rudolf Schock - Portrait' - EMI  CZS 767183 2 en op CD 5 van de recente 10 CD-box 'Rudolf Schock, seine schönsten Lieder aus Oper, Operette und Film' - Membran/Documents 232541.
Ook is zij op internet als muziek-download verkrijgbaar! 

***
'GLEICH EINEM FRÜHLINGSABEND (Come un bel di di Maggio)'
Deze aria uit het 4e bedrijf neemt in 'Andrea Chenier' zo'n beetje dezelfde dramatisch effectieve positie in als 'E lucevan le stelle' in Puccini's 'Tosca'. Ze is door Rudolf Schock op de zelfde dag gezongen als 'Den Blick hatt' ich einst erhoben' en wel op 25 september 1956. De uitvoering is even goed en het geluid even 'droog', maar midden in de opname is te horen, dat er 'gemonteerd' is. Op zich is (en was) zoiets bij plaat-opnamen de gewoonste zaak van de wereld (een buitengewoon voorbeeld: Elisabeth Schwarzkopf , die in Furtwängler's 'Tristan und Isolde' uit 1952 - daar ze toevallig in de studio beschikbaar was - een hoge noot van Kirsten Flagstad overneemt). Het moet echter wel zo gedaan worden, dat de luisteraar het niet merkt.

De oorspronkelijke opname (ooit op LP) is door EMI niet op CD uitgebracht. Maar op de 5e CD van de bij 'Den Blick hatt' ich einst erhoben' genoemde 10 CD-box van Membran/Documents is zij wel te horen.

***
'VICINO A TE ..'
De sopraan Joan Hammond (Maddalena) en de tenor Rudolf Schock (Chenier) nemen in Londen (mei 1950) het grote slotduet uit 'Andrea Chenier' op. Schock is dan bijna aan het eind van zijn engagement bij de 'Royal Opera House Covent Garden' (zie ook 'RS zingt Sir Arthur Bliss'). Het 'Philharmonia Orchestra London' staat onder leiding van Issay Dobrowen.

Joan Hammond (1912 - 1996)
Dame Joan Hammond
De Nieuwzeelandse sopraan Joan Hammond studeerde zang in Londen, Wenen en Italië. Ze debuteerde 1n 1938 in Londen. Na de oorlog zong zij o.a. aan de opera's van Wenen, Londen (in 1948 samen met Rudolf Schock in 'La Bohème' van Puccini), Parijs en Brussel. Gastoptredens en concerten vonden plaats in Sowjet-Rusland en Amerika. In 1965 stopte Joan Hammond na een hartaanval met zingen. Maar als zanglerares bleef zij in dienst van de muziek. Koningin Elisabeth II verhief haar in 1974 als 'Dame of the British Empire' in de adelstand.
In 1950 nam zij met Rudolf Schock voor HMV (het latere    EMI) de finale uit 'Andrea Chenier' en het zogeheten 'Kersenduet (Suzel, buon di)' uit 'L'Amico Fritz' van Pietro Mascagni op.

Issay Dobrowen (1891 - 1953)
Issay Dobrowen
De gevierde Russisch/Noorse dirigent en componist/concertpianist Issay Dobrowen dirigeerde over de gehele wereld: Van San Francisco tot New York, van Bulgarije tot Israël, van Moskou - via Oslo - tot Londen. Vaste dirigent voor een langere periode was hij o.a. in Londen, Sofia en Oslo. In die laatste stad nam Issay Dobrowen in de late jaren dertig van de vorige eeuw de Noorse nationaliteit aan.



Joan Hammond en Rudolf Schock in het slotduet van 'Andrea Chenier' 
Lang geleden vond ik op een rommelmarkt in Rotterdam twee breekbare grammofoonplaten (78 toeren) met dit duet en het 'Kersenduet' uit 'L'Amico Fritz' van Mascagni. Langs de wolken, waarin ik terecht kwam bij het beluisteren ervan, ruisten de platen om het hardst. Toch klonk de muziek van de oude platen dynamischer dan die op de latere LP's en CD's.

Rudolf Schock in Londen
(Foto: 'Der Spiegel' 1950)

De opname van het - lyrischer - duet uit Mascagni's opera is door de jaren heen in alle toonaarden geprezen: "...hier kan men de grote lyrische kwaliteit van de tenor bewonderen, het mooie, romantische timbre, het in staat zijn tot echte mezzavoce en zijn uitzonderlijke muzikaliteit..." ('Fonoforum' begin jaren negentig n.a.v. het EMI-Rudolf Schock Portrait CZS 7 67183 2)). Maar ook over zijn opname(n) uit 'Andrea Chenier': "Zijn spanwijdte in de richting van het dramatische vak indrukwekkend demonstrerend..." (uit dezelfde bespreking).
Joan Hammond en Rudolf Schock zingen het slotduet uit 'Andrea Chenier', dat feitelijk de grote finale is van de opera, met verzengende hartstocht. In het slotdeel moeten Hammond en Schock al hun vocaal-dramatische reserves aanboren: temidden van de klankexplosies uit het orkest volgt de ene lang aangehouden hoge noot na de andere. Maar - in het tumult van de aanloop naar de extatische climax: 'Viva la morte insiem (Leve de dood - samen)!' - ziet de lyrische tenor Rudolf Schock toch nog kans tot een door de ziel snijdend mezzavoce, waarmee Andrea Chenier de naderende dood als ware het de zonsopgang verwelkomt ('Ah, viene come l'aurora!').
Rudolf Schock zingt Giordano, Mascagni, Puccini e.a.
Dit duet is als EMI-download verkrijgbaar.
Verder staat het op de CD 'Opera Heroes Rudolf Schock' - EMI 7243 5 66811 2 5, de 3 CD-set EMI CZS 767183 2) en op CD 5 v.d. 10 CD-box 232541 van Membran/Documents.

Krijn de Lege, 5 december 2011

De volgende keer: Rudolf Schock zingt MICHAEL GLINKA en ALEXANDER DARGOMYSCHSKI' 
(Graag wens ik de gewaardeerde bezoekers van deze blog een feestelijke decembermaand toe en een gezond en voorspoedig 2012!)    

26.09.11

RUDOLF SCHOCK SINGT GASTALDON UND GIORDANI

Rudolf Schock singt 'Musica proibita':



Meine erste Schallplatte von Rudolf Schock:


Taubers Lied 'Du bist die Welt für mich' war eine passende Erinnerung an den gleichnamigen Film mit Rudolf Schock als Richard Tauber, den ich zusammen mit meinen Eltern und der kleinen Schwester im Schiedamer Kino 'Passage' sah. Die vier andren Filmmelodien auf Seite 1 schmeckten mir auch. Auf der 2. Seite  der '25cm'-LP aber gab es das Allerschönste: zuerst 'Es muss ein Wunderbares sein' von Franz Liszt, dann den für mich absoluten Höhepunkt, die 'Serenata' von Enrico Toselli, danach das robuste 'La Paloma' von Sebastián de Yradier und schliesslich die Liebeslieder 'Still wie die Nacht' von Carl Bohm und 'Verbotener Gesang' ('Musica proibita') von Stanislao Gastaldon."Die sind auch sehr schön", unterstrich der Vater in der Absicht meine ziemlich einseitig auf 'Serenata' und 'La Paloma' gerichtete Begeisterung etwas abzuschwächen.












Einige Monate später brachte mein Vater der Familie die Platte 'Singende, klingende Weihnachtszeit' mit. Es war für mich eine Enttäuschung, dass nicht Schock, sondern ein Chor die Weihnachtslieder sang. Aber wenn man die Platte umdrehte, war er zum Glück doch noch in zwei, von mir als kirchlich verstandenen, Liedern zu hören: im 'Largo' von Händel und 'Caro mio ben' von Giordani. Weiter sang (schon wieder!) ein Chor 'Ave verum' und 'Laudate Dominum' von Mozart, wobei ein Pflaster auf der Wunde war, dass Anny Schlemm mitsang, die ich schon von einer dritten Familien-LP: 'Mit Rudolf Schock in der Welt der Operette' kannte. Es wird deutlich sein: all diese Klangjuwele wurden - im strengen Auftrag von Electrola - vom Vater 'nur mit staubfreiem Mikrosaphir' und mit einer korrekten 'Einstellung M, 331/3 Upm!' abgespielt. Er wusste ja allzugut: 'Falsche Einstellung beschädigt die Langspielplatte', was für mich eine unverzeihliche Beschädigung Rudolf Schocks bedeutet hätte.

Stanislao Gastaldon,
Komponist von 'Musica proibita'

Stanislao Gastaldon
Noch vor kurzer Zeit war die Information über Gastaldon in Nachschlagewerken und im Internet dürftig.
Aber inzwischen gibt es auf Wikipedia einen ausführlichen und interessanten englischen Beitrag über ihn.






Stanislao Gastaldon wurde 1861 in Turin geboren. Er komponierte Konzerte, Opern und Lieder, aber vor allem durch das Salonlied 'Musica proibita' wurde sein Name unsterblich (siehe auch: 'RS singt Carl Bohm'). Der ursprünglich italienische Text ist von Gastaldon selbst. Er schrieb die Worte unter dem merkwürdigen Pseudonym 'Flick-Flock'.
'Musica proibita' (1881) ist - genauso wie Carl Bohms 'Still wie die Nacht' - ein Paradebeispiel für das Salonlieder-Repertoire im späten 19. Jahrhundert.
Eine Zeitlang nahm ich an, das Lied  wäre eigentlich eine Arie aus Gastaldons Oper 'Mala Pasqua!', aber der obenerwähnte und -empfohlene Wikipedia-Beitrag serviert diese Annahme glatt ab. Gastaldon veröffentlicht die Oper 'Mala Pasqua!' erst im Jahre 1890. Das war auch das Jahr, worin Pietro Mascagni mit seiner 'Cavalleria rusticana' einen prestigiösen Opernpreis gewann. Gastaldon hatte für seine Oper denselben Stoff wie Mascagni für die 'Cavalleria' gebraucht. Die Folge war, dass Gastaldons Werk als eine 'verfehlte Cavalleria rusticana' in die Geschichte einging. Textbücher sind in Bibliotheken in Europa und den VS zu finden, aber ein 'Verbotenes Lied' kommt darin nicht vor. 'Mala Pasqua!' bedeutet übrigens 'Schlechtes Osternfest!', ein böser Wunsch, der für eine der Hauptrollen aus der Oper bestimmt ist.  

Gastaldon schrieb 'Musica proibita' (Opus 5) als Sopransolo (!) mit Klavierbegeleitung. Bemerkenswert ist aber, dass es in der Musikhistorie zu einem weit und breit geliebten Tenorlied gewachsen ist.
Der Komponist relativierte auf ironische Weise seine Glanznummer einige Jahre später (1885) mit dem Lied 'Musica non proibita', das aus eigener Kraft - obschon in bescheidenerem Masse - ebenfalls zum Erfolg wurde. Stanislao Gastaldon starb - ganz und gar in den Hintergrund geraten - 1939 in Florenz, wo er auch beerdigt wurde.

'Verbotener Gesang'
ist ein Liebeslied, das aus der Perspektive einer jungen Frau gesungen wird: 

Romeo und Julia
 (Sir Francis Dicksee)













Vom Balkon jeden Abend blickt' ich nieder;
da tönt's herauf wie zarte Herzensklagen.
Ein junger Mann sang schmelzend Liebeslieder,
und dann begann mein Herz mächtig zu schlagen,
ach mächtig, jedesmal, schlug mir das Herz.

Das schöne Lied erfüllte mich mit Freuden;
wie hört' ich 's gerne, immer möcht' ich 's hören.
Doch sang ich 's selber, die Mutter wollt's nicht leiden:
dass sie's verbot, weiss ich nicht zu erklären.

Jetzt ist sie fort! Erklinge nun, mein Lied,
das mich unwiderstehlich immerdar durchglüht:
"die ernsten Augen, lasse sie mich küssen,
dein schwarzes Haar, die Lippen, ach, die süssen,
Du Engelsbild, o dürft' ich mit dir sterben,
welch selig Los, den Himmel zu erwerben..."

Gestern noch sah ich ihn vorübergehen,
und wieder sang er, ich konnt's es wohl versteh'n:
"die ernsten Augen, lasse mich sie küssen,
dein schwarzes Haar, die Lippen, ach, die süssen,
o du mein Engel, ewig lieb' ich dich,
schenk mir dein Herz!!
O komm, erhöre mich!"

Diese deutsche Version von Flick-Flocks (Gastaldons) Text ist von Ferdinand Gumbert (1818-1895). Gumbert war Gesangspädagoge, Musikrezensent, Übersetzer und Baritonsänger in Berlin.

In den beiden, ersten Strophen sieht und hört ein Mädchen vom Balkon jeden Abend einen jungen Mann, der ihr ein herzbewegendes Ständchen bringt. Sie verliebt sich heftig in den Sänger und sein Lied. Gern möchte sie es ihm nachsingen, aber die Mutter verbietet es ihr aus irgendeinem für das Mädchen unverständlichen Grunde.

In der 3. Strophe nutzt sie die Gelegenheit, wenn ihre Mutter nicht da ist: sie singt endlich das Lied ("die ernsten Augen...") und ist sogar bereit, sich für ihren Geliebten zu opfern (Die Mutter kennt ohne Zweifel den Charakter ihrer Tochter und weiss vielleicht von der Julia, mit der es bei Shakespeare nicht gut endet. Liegt darin die Ursache des Verbots?).

Die 4. Strophe: Wieder singt der junge Mann das Lied ("die ernsten Augen..."). Ihre Liebe stellt sich überdeutlich als gegenseitig heraus: Er will das Herz des Balkonmädchens erobern und fleht sie stürmisch an, seine ewige Liebe zu beantworten. In dieser Strophe hören wir die (gestern) gesungenen Worte des Mannes unter dem Balkon. Ich könnte mir darum denken, wie Sänger und Dirigenten auf die Idee gekommen (oder gebracht worden) sind, die Ausführung von 'Musica proibita' live den Männern zu überlassen.

Rudolf Schock singt Stanislao Gastaldon











Rudolf Schock nimmt 'Verbotener Gesang' für HMV/Electrola und Sony/Eurodisc auf. Am 3. September 1954, einem Tag vor Schocks 39. Geburtstag, dirigiert der perfektionistische Wilhelm Schüchter (1911-1974) und am 11. Juni 1968 Fried Walter (1907-1996).

Während der Vorbereitung für diesen Artikel habe ich mir eine Anzahl von Ausführungen des 'Verbotenen Gesangs' genau angehört. Dabei habe ich mich auf sieben Vertreter einer älteren Generation namhafter, italienischer und spanischer Tenöre beschränkt: Mario del Monaco und José Carreras singen eine kraftvoll interpretierte Opernarie von Verdi statt eines graziösen Salonliedes von Gastaldon. Viel besser gefallen mir Guiseppe di Stefano und Placido Domingo, aber auch sie machen das Lied noch zu gross. Merkwürdigerweise tut Beniamino Gigli das auch, was ich von ihm nicht erwartet hätte (möglich ist aber, dass ich eine weniger gute Darstellung hörte, denn Gigli hat 'Musica Proibita' öfters interpretiert). Enrico Caruso ist ohne weiteres grandios: er singt wirklich ein Lied und seine Textbehandlung ist glänzend. Vollendet ist der Gesang (für viele das klangreinste 'Musica proibita'!) des eleganten Tenors Alfredo Kraus. Er weiss genau, wie man ein Lied singen soll. Wohl kommt mir die Textgestaltung etwas distanziert und unnötig feierlich vor.

Die Aufnahme von Rudolf Schock aus dem Jahre 1954 finden wir auf:

- dem 2-CD Set 'Rudolf Schock, der fröhliche Wanderer' - Membran/Documents: Order no. 224062, zu meinem Vergnügen auch mit u.a. 'Es muss ein Wunderbares sein', 'La Paloma', 'Still wie die Nacht' UND die von mir unvergessene 'Serenata' von Toselli.

- dem 10-CD Set (CD 2) 'Rudolf Schock, seine schönsten Lieder..' - Membran/Documents Order no. 232541, schon wieder mit den Salonliedern meiner frühesten Schock-LP und mit 'Caro mio ben', worüber später mehr.

Die Stereo-Aufnahme aus dem Jahre 1968 ist nur auf alten LPs zu hören, u.a. auf:
- 'Wunschkonzert mit Rudolf Schock' - Eurodisc 77877 IU
- 'Rudolf Schock: Erinnerungen an Beniamino Gigli' - Eurodisc 78571 IU.









Ich trage bestimmt keine rosarote Brille, wenn ich feststelle, Rudolf Schock singe 1954 eine der vollkommensten Darstellungen des 'Verbotenen Gesangs' für die Schallplatte.
Ein englischer Musikkritiker kennzeichnet das Lied als: "ease and pleasing, which immediately sticks in the mind".
So singt Schock es auch: mühelos und bestechend. Das hält ihn aber nicht davon ab, sorgfältig auf eine Klimax hinzuarbeiten ("Schenk mir dein Herz!"), wobei Dirigent Schüchter auf "Herz!" mit dem Dirigieren innehält und während einiger Sekunden Schocks dramatischen Intentionen den vollen, musikalischen Raum lässt.

Im Jahre 1968 ist Schocks Textbehandlung unverändert hervorragend. Das Singen aber ist weniger "ease". Sein Talent für Liedgesang macht aber, dass man diesen Vortrag von 'Musica proibita' mancher andern opernartigen Ausführung vorziehen kann.
Dies ist desto gekonnter, weil die Stimme für dieses Lied in einen ziemlich hohl geratenen Klangrahmen gestellt wurde, und die Orchesterbegeleitung nicht die Subtilität Wilhem Schüchters aufweist (Vergleichen Sie den Schluss!).

Tommaso oder Guiseppe Giordani komponierte
'Caro mio ben'?

Es ist keine ausgemachte Sache, wer von den Brüdern Giordani das italienische Lied 'Caro mio ben' komponierte.
Im Internet wird oft der jüngere Bruder Guiseppe Giordani genannt. Aber man liest auch: "Tommaso Giordani habe zwar den Text auf Noten gesetzt, aber dessenungeachtet schreibe man das Lied Guiseppe zu". Die Label EMI/Electrola und Eurodisc belassen es schon Dezennien bei Tommaso Giordani.

Ein einziges Mal heisst der Komponist im Internet 'Giordano', aber dann ist man dadurch verwirrt, dass es auch einen Opernkomponisten Umberto Giordano gibt. Der lebte jedoch viel später (1867-1948) und wurde besonders durch die Oper 'Andrea Chénier' bekannt.


Tommaso Giordani

Tommaso Giordani (1730-1806)
wurde in Neapel geboren und starb in Dublin. Er war alles mögliche: Sänger, Dozent, Dirigent und Komponist.
Im 22-jährigen Alter zog er nach London und später nach Irland. Zu seinen Kompositionen gehörten Opern, ein Oratorium, Sonaten, Konzerte und Lieder.




Guiseppe Giordani

Guiseppe Giordani (1744?-1798)
blieb in Neapel und war dort ein bedeutender Dirigent. Er schrieb einige Opern mit einer Vorliebe für religiöse Themen.
Die Brüder Giordani waren Zeitgenossen von W.A. Mozart.



'Caro mio ben'
ist wieder ein Liebeslied, das aus der Perspektive einer Frau gesungen wird. Und aufs neue wurde es als Sopransolo geschrieben:

Caro mio ben, credimi almen,
Senza di te languisce il cor.
Il tuo fedel sospire ognor,
Cessa, crudel, tanto rigor!
Caro mio ben...

Teurer Geliebter, glaube mir,
ohne dich bricht mir das Herz.
Deine treue Geliebte seufzt fortwährend,
Du bist so grausam und streng, hör' damit auf!
Teurer Geliebter...

Angenommen wird, dass der anonyme Text weltlich ist.
Er wurde um 1780 herum in Musik gesetzt.
Am Ende des 18. Jahrhunderts genoss das Liebeslied dank italienischer Hauskonzerte schon eine immense Populärität.
Wahrscheinlich können wir 'Caro mio ben' denn auch als eines der frühesten Salonlieder betrachten.
Auf Schallplatten und CDs hat es aber - zusammen mit Händels 'Largo' aus der Oper 'Xerxes' - noch oft einen religiösen Status.

Auch die Männerstimme hat 'Caro mio ben' grossenteils erobert.
Eine Ursache könnte sein, dass dieses ursprünglich weltliche Lied schon früh tatsächlich religiös annexiert wurde.
Weil es in der damalig kirchlichen Praxis Frauen verboten war, im Gotteshaus zu singen, haben die kirchlichen Behörden vielleicht die Ausführung von auch diesem Lied Kastraten überlassen.
Möglicherweise hat das den Weg für Tenöre und Baritone gebahnt.

Rudolf Schock singt Giordani
Rudolf Schock singt 'Caro mio ben' in italienischer Sprache zweimal für die Schallplatte: Am 9. August 1952 (EMI/Electrola) und am 12. November 1962 (Sony/Eurodisc).
Im Jahre 1952 dirigiert Wilhelm Schüchter ein "Streichorchester".
Im Jahre 1962 leitet er die Berliner Symphoniker und ist die Instrumentation von Werner Eisbrenner.












Schocks erstes 'Caro mio ben' ist zu finden auf u.a. der CD 'Ave Maria' (EMI CDZ 7 62696 2).
Der CD-Titel belegt es: 'Caro mio ben' wird als religiöses Lied aufgefasst.
Schocks zweite Aufnahme (Stereo) besitze ich auf einer LP mit dem Titel 'Festliche Stunden mit Rudolf Schock' (Eurodisc 72 721 KK).


Das englische 'Gramophone magazine' schreibt im vorigen Jahrhundert, Rudolf Schock singe 'Caro mio ben' mit "seinem vollen, "baritonic" Tenor mehr als gut".

Wilhelm Schüchter 1911-1974
Mike Richter (1939-2013), Opernkenner und Autor der 'Audio Encyclopädie', verglich 2005 Schocks erste 'Caro mio ben'-Aufnahme mit der von Beniamino Gigli.
Richter konkludiert, Schocks Ausführung sei der des grossen, italienischen Sängers ebenbürtig.

Schock singt die alte Weise in der Tat "mehr als gut", und die Stereo-Ausführung aus dem Jahre 1962 gibt der älteren Mono-Aufnahme an  einnehmender Schlichtheit nichts nach.
Schüchters musikalische Leitung bürgt zweimal für Ergebenheit daran.

Krijn de Lege, 26.9.2011/26.1.2019/19.2.2020

RUDOLF SCHOCK ZINGT GASTALDON EN GIORDANI

Rudolf Schock zingt 'Musica proibita':



Mijn allereerste grammofoonplaat
van Rudolf Schock kreeg ik toen ik 12 jaar was!

Tauber's lied 'Du bist die Welt für mich' was een passende herinnering aan 'De Levensroman van Richard Tauber', de film met Rudolf Schock als Tauber, die ik samen met mijn ouders en zusje zag in de Schiedamse bioscoop 'Passage'. De vier andere filmmelodieën op kant 1 vielen ook in de smaak. Maar op de andere kant van de 25cm LP stond het allermooiste: eerst 'Es muss ein Wunderbares sein' van Franz Liszt, dan het voor mij absolute hoogtepunt, de 'Serenata' van Enrico Toselli, gevolgd door het stoere 'La Paloma' van Sebastián de Yradier en tenslotte de  liefdesliederen 'Still wie die Nacht' van Carl Bohm en 'Verbotener Gesang ('Musica proibita') van Stanislao Gastaldon."Die zijn ook heel mooi", onderstreepte mijn vader met de bedoeling mijn nogal eenzijdig op 'Serenata' en 'La Paloma' gericht enthousiasme wat af te zwakken.











Een paar maanden later kwam hij met de kerstplaat 'Singende klingende Weihnachtszeit' thuis. Het was voor mij een teleurstelling, dat niet Schock, maar een koor de kerstliederen zong. Maar als je de plaat omdraaide, was hij gelukkig toch nog te horen in twee, door mij als kerkelijk begrepen liederen: 'Largo' van Händel en 'Caro mio ben' van Giordani. Verder zong al weer een koor 'Ave verum' en 'Laudate Dominum' van Mozart, waarbij een pleister op de wonde was, dat Anny Schlemm meezong, die ik al kende van een derde gezins-LP: 'Mit Rudolf Schock in der Welt der Operette'. Het moge duidelijk zijn, dat al deze klankjuwelen - in strenge opdracht van Electrola - door mijn vader 'nur mit staubfreiem Mikrosaphir' en met een correcte 'Einstellung M, 331/3 Upm!' afgespeeld werden. Hij wist immers maar al te goed: 'Falsche Einstellung beschädigt die Langspielplatte', wat voor mij gelijk zou zijn geweest aan: 'Falsche Einstellung beschädigt Rudolf Schock'.

Stanislao Gastaldon,
componist van 'Musica proibita'

Stanislao Gastaldon











Nog niet zo lang geleden was er in naslagwerken en op internet weinig over Gastaldon te vinden. Maar intussen staat er op Wikipedia een uitvoerige en interessante, Engelstalige bijdrage over hem.

Stanislao Gastaldon werd in 1861 in Turijn geboren. Hij componeerde concerten, opera's en liederen, maar vooral door het salonlied 'Musica proibita' werd zijn naam onsterfelijk (zie ook: 'RS zingt Carl Bohm'). Ook de oorspronkelijk Italiaanse tekst is van Gastaldon. Hij schreef die tekst onder het raadselachtige pseudoniem 'Flick-Flock''Musica proibita' is evenals Carl Bohms 'Still wie die Nacht' een schoolvoorbeeld van het salonliederen-repertoire uit de late 19e eeuw (1881). Een tijdje nam ik aan, dat het lied eigenlijk een aria uit Gastaldon's opera 'Mala Pasqua!' was, maar het hierboven aanbevolen Wikipedia-artikel veegt dit resoluut van tafel. Gastaldon leverde de opera 'Mala Pasqua!' pas in 1890 af, in hetzelfde jaar, dat Pietro Mascagni met zijn 'Cavalleria rusticana' een prestigieuze operaprijs won. Gastaldon had voor zijn opera dezelfde stof gebruikt als Mascagni voor zijn 'Cavalleria' en het gevolg was, dat Gastaldon's werk de geschiedenis in ging als een 'gemankeerde Cavalleria rusticana'. Tekstboeken zijn te vinden in bibliotheken in de VS en Europa, maar een 'Verboden Lied' komt daarin niet voor. 'Mala Pasqua!' betekent overigens 'Slechte Pasen!', een boze wens, die voor één van de hoofdrollen uit de opera bestemd is.

Gastaldon schreef 'Musica proibita' als sopraansolo (!) met pianobegeleiding en het is opvallend, dat het in de muziekhistorie met name tot een alom geliefd tenorlied uitgroeide. De italiaanse componist relativeerde zijn glansnummer enkele jaren later (1885) op ironische wijze met het lied 'Musica non proibita', dat op eigen kracht - zij het in bescheidener mate - ook een succes werd. Stanislao Gastaldon overleed - geheel en al op de achtergrond geraakt - in 1939 in Florence, waar hij ook begraven is.

'Verbotener Gesang'
is een liefdeslied, dat gezongen wordt vanuit het perspectief van een jonge vrouw:

Romeo en Julia
(schilderij:
 Sir Francis Dicksee)













Vom Balkon jeden Abend blickt' ich nieder;
da tönt's herauf wie zarte Herzensklagen.
Ein junger Mann sang schmelzend Liebeslieder,
und dann begann mein Herz mächtig zu schlagen,
ach mächtig, jedesmal, schlug mir das Herz.

Das schöne Lied erfüllte mich mit Freuden;
wie hört' ich's gerne, immer möcht' ich 's hören.
Doch sang ich's selber, die Mutter wollt's nicht leiden:
dass sie's verbot, weiss ich nicht zu erklären.

Jetzt ist sie fort: Erklinge nun, mein Lied,
das mich unwiderstehlich immerdar durchglüht:
"die ernsten Augen, lasse mich sie küssen,
dein schwarzes Haar, die Lippen, ach, die süssen,
Du Engelsbild, o dürft' ich mit dir sterben,
welch selig Los, den Himmel zu erwerben..."

Gestern noch sah ich ihn vorübergehen,
und wieder sang er, ich konnt' es wohl versteh'n:
"die ersten Augen, lasse mich sie küssen.
dein schwarzes Haar, die Lippen, ach, die süssen,
o du mein Engel, ewig lieb' ich dich,
schenk mir dein Herz!!
O komm, erhöre mich!"

De Duitse versie van Flick-Flock's oftewel Gastaldon's tekst is van Ferdinand Gumbert (1818-1896), zangpedagoog, muziekrecensent en vertaler te Berlijn.

In de beide eerste strofen ziet en hoort een meisje vanaf haar balkon elke avond een jonge man, die haar een hartveroverende serenade brengt. Ze wordt dolverliefd op de zanger en zijn lied. Ze wil het hem nazingen, maar haar moeder verbiedt het haar om een voor het meisje onbegrijpelijke reden.

In de 3e strofe grijpt zij haar kans, als haar moeder weg is: ze zingt het lied ("die ernsten Augen...") en toont zich zelfs bereid zich aan haar (ge)liefde op te offeren (De moeder kent ongetwijfeld het karakter van haar dochter en weet misschien ook van Julia met wie het bij Shakespeare niet goed afloopt. Ligt daar de oorzaak van het verbod?).

De 4e strofe: Weer zingt de zanger zijn lied "die ernsten Augen...". Hun liefde blijkt wederzijds: hij wil het hart van het balkonmeisje veroveren en smeekt haar onstuimig zijn eeuwige liefde te beantwoorden.
In deze strofe horen wij de (gisteren) gezongen woorden van de man onder het balkon. Ik kan mij daarom voorstellen, hoe zangers en dirigenten op het idee zijn gekomen (of gebracht), de uitvoering van 'Musica proibita' aan mannen over te laten. 

Rudolf Schock zingt Stanislao Gastaldon
Rudolf Schock neemt 'Verbotener Gesang' op in 1954 (HMV/Electrola) en in 1968 (Sony/Eurodisc). Op 3 september 1954, een dag voor Schock's 39ste verjaardag, dirigeert de perfectionistische Wilhelm Schüchter en op 11 juni 1968 Fried Walter.

Tijdens de voorbereiding van dit artikel heb ik goed geluisterd naar een aantal uitvoeringen van 'Musica proibita', gezongen door een oudere generatie van beroemde Italiaanse en Spaanse tenoren: Mario del Monaco en José Carreras zingen een stevige opera-aria van Verdi i.p.v. het bekoorlijke salonlied van Gastaldon. Veel beter bevallen Guiseppe di Stefano en Placido Domingo, maar ook zij maken het lied nog te groot. Merkwaardigerwijs doet
Beniamino Gigli dit ook, wat ik van hem niet had verwacht (misschien, dat ik een mindere uitvoering hoorde, want Gigli heeft het lied meer keren opgenomen). Enrico Caruso is ronduit grandioos: hij zingt werkelijk een lied en zijn tekstbehandeling is schitterend. Ook heel mooi is de zang van de elegante Spaanse tenor Alfredo Kraus. Hij weet, hoe je een lied moet zingen. Hooguit klinkt het mij wat afstandelijk en -onnodig - plechtig in de oren.

De opname van Rudolf Schock uit 1954 vinden we op
- de 2 CD set 'Rudolf Schock, der fröhliche Wanderer' (Membran/Documents: Order no. 224062), overigens samen met o.a. 'Es muss ein Wunderbares sein', 'La Paloma', 'Still wie die Nacht' EN 'mijn' onvergetelijke 'Serenata' van Toselli!  
- CD 2 van de 10 CD set 'Rudolf Schock, seine schönsten Lieder....' (Membran Documents: Order no. 232541), al weer in gezelschap van de salonliederen van mijn vroegste Schock-LP én met 'Caro mio ben', waarover verderop meer.

De stereo-opname uit 1968 heb ik op een LP:
'Rudolf Schock: Erinnerungen an Benjamino Gigli' (Eurodisc 78571 IU)


Ik heb beslist geen rose bril op, als ik vaststel, dat Rudolf Schock in 1954 één van de mooiste uitvoeringen van 'Verbotener Gesang' op de plaat heeft gezet. Een Engelse muziekcriticus karakteriseert het lied als: "ease and pleasing, which immediately sticks in the mind". En zo zingt Schock hem ook: moeiteloos en innemend. Dat weerhoudt hem er echter niet van zorgvuldig naar een climax toe te werken ("Schenk mir dein Herz!"), waarbij dirigent Wilhelm Schüchter op "Herz!" stopt met dirigeren en gedurende een paar tellen aan Schock's dramatische intenties de volle muzikale ruimte biedt. 

In 1968 is Schock's tekstbehandeling onveranderd superieur, maar zijn zang minder "ease". Zijn talent voor liedzang maakt echter, dat ook deze lezing van 'Musica proibita' te verkiezen valt boven menig andere opera-achtige uitvoering. Dit is des te knapper, omdat de stem voor dit lied in een te fors geluidskader is geplaatst en de orkestbegeleiding niet zo subtiel is als die van Schüchter.

Tommaso of Guiseppe Giordani?

Tommaso Giordani
Het is geen uitgemaakte zaak, wie van de gebroeders Giordani het Italiaanse lied 'Caro mio ben' heeft gecomponeerd.
Op internet wordt vaak de jongere broer Guiseppe Giordani genoemd.
Maar je leest ook, dat Tommaso Giordani de tekst op noten heeft gezet en dat het lied desondanks aan Guiseppe wordt toegeschreven.
De platenlabels EMI/Electrola en Eurodisc houden het al decennia op Tommaso Giordani.
Ook heet de componist soms Giordano, maar dan is men in de war met de opera-componist Umberto Giordano, die veel later leefde (1867 - 1948) en onder meer 'Andrea Chénier' schreef.

Tommaso Giordani (1730-1806) werd in Napels geboren en stierf in Dublin. Hij was van alles: zanger, docent, dirigent en componist. Op 22-jarige leeftijd trok hij naar Londen en later naar Ierland. Tot zijn composities behoorden opera's, een oratorium, sonates, concerten én liederen.

Guiseppe Giordani

Guiseppe Giordani (1744?-1798), bleef in Napels en was daar een belangrijk dirigent. Hij componeerde een aantal opera's met een voorliefde voor religieuze onderwerpen.
De gebroeders Giordani waren tijdgenoten van W. A. Mozart.




'Caro mio ben'
is al weer een liefdeslied, dat wordt gezongen vanuit het perspectief van een vrouw (zie de vertaling in de Duitse versie van dit artikel). En opnieuw was het bedoeld als sopraansolo:

Caro mio ben, credimi almen,
Senza di te languisce il cor.
Il tuo fedel sospira ognor,
Cessa, crudel, tanto rigor.
Caro mio ben...

Dierbare geliefde, geloof mij:
zonder jou breekt mijn hart.
Je trouwe geliefde zucht voortdurend,
Je bent zo wreed en streng, hou daar mee op!
Dierbare geliefde...










Aangenomen wordt, dat de anonieme tekst wereldlijk is en rond 1780 op muziek werd gezet. Aan het eind van de 18e eeuw verkreeg het op Italiaanse huisconcerten in elke geval een enorme populariteit. Waatschijnlijk is 'Caro mio ben' dan ook één van de vroegste voorbeelden van het salonliederen-genre. Op platen en CD's wordt het echter - samen met Händel's 'Largo' uit de opera 'Xerxes' - vaak geplaatst temidden van religieuze composities.

De mannenstem heeft intussen ook 'Caro mio ben' grotendeels veroverd. Een oorzaak zou kunnen zijn, dat dit oorspronkelijk wereldlijke lied al vroeg inderdaad religieus geannexeerd werd. Omdat het echter in de toenmalig kerkelijke praktijk aan vrouwen verboden was, in het Huis Gods te zingen, hebben de kerkelijke autoriteiten de uitvoering van ook dit lied misschien aan castraten overgelaten. Mogelijkerwijs heeft dat de weg voor tenoren en baritons gebaand.

Rudolf Schock zingt Giordani 
Rudolf Schock zingt 'Caro mio ben' in het Italiaans twee keer voor de grammofoonplaat: op 9 augustus 1952 (EMI/Electrola) en op 12 november 1962 (Sony/Eurodisc). In 1952 dirigeert Wilhelm Schüchter "een strijkorkest" . In 1962 leidt hij de Berliner Symphoniker en is de instrumentatie van Werner Eisbrenner.













Schock's eerste 'Caro mio ben' is te vinden op
- de CD 'Ave Maria' (EMI CDZ 7 62696 2) en die titel zegt het al: 'Caro mio ben' wordt opgevat als een religieus lied.
- de al onder 'Verbotener Gesang' vermelde CD 2 van de 10 CD set 'Rudolf Schock, seine schönsten Lieder...'. (Membran/Documents: Order no. 232541). Membran plaatst het lied niet in een religieus kader.

Schock's tweede (stereo-)opname staat op de LP:
- 'Festliche Stunden mit Rudolf Schock' (Eurodisc 72 721 KK). Deze LP heeft gedeeltelijk een religieus gehalte.
Misleidend is, dat op de hoes van deze LP de Duitse vertaling van 'Caro mio ben' gemakshalve begint met de woorden: 'Dierbaar meisje(!)' 

Het Engelse muziektijdschrift 'Gramophone magazine' schrijft in de vorige eeuw, dat Rudolf Schock 'Caro mio ben' met "zijn volle, 'baritonic' tenor meer dan goed zingt".


Wilhelm Schüchter
1911-1974 
Mike Richter (1939-2013), operakenner en samensteller van de 'Audio Encyclopedia', vergeleek in 2005 Schock's eerste 'Caro mio ben'-opname met die van Beniamino Gigli.
Richter concludeerde, dat Schock's uitvoering gelijkwaardig is aan die van de grote Italiaanse zanger.

Schock zingt het lied inderdaad "meer dan goed" en de uitvoering van 1962 doet daar niet voor onder: Schock's eenvoud als kenmerk van het ware zingen.
Schüchter's muzikale leiding staat tweemaal garant voor dienstbaarheid daaraan.

Krijn de Lege, 26 september 2011/26.1.2019/19.2.2020