19.03.17

RUDOLF SCHOCK sings IMRE (EMMERICH) KÁLMÁN (is or will be continued)

Rudolf Schock sings Imre (Emmerich)Kálmán (Partially NEW from 15.6.2017: Please scroll down!)
Imre Kálmán & Franz Lehár bepaalden het gezicht van de Weense,
'z i l v e r e n' operette (L I N K: 'Rudolf Schock zingt Nico Dostal').
Rudolf Schock zong 40 jaar lang operettemelodieën van Franz Lehár en Imre Kálmán op de plaat, in films, op radio/tv en live tijdens concerten.

Al in 1947/48 verschijnt een 78-toerenplaatje met bijna 10 minuten hoogtepunten uit Kálmáns 'Gräfin Mariza'.
Oda Troll, Lilli Schubert, Otto Falvay en de 32-jarige Rudolf Schock zingen.
Paul Hühn dirigeert koor en orkest van het Berlijnse 'Metropoltheater'.
Rudolf Schock zingt o.a. zijn allereerste 'Komm Zigane':



Tijdens Rudolf Schock's laatste 'Abend-in-Wien' concerten in Nederland (1985) zingt hij samen met Christina Deutekom en Marco Bakker ruim een kwartier muziek uit 'Die Csárdásfürstin' en 'Gräfin Mariza' van Imre Kálmán.
De 70-jarige Rudolf Schock gaat tot op de bodem van zijn dan nog resterende vocale mogelijkheden.
Zijn allerlaatste op cd/video vastgelegde voordracht van Tassilo's opzwepende 'Komm Zigane' fascineert:















Drie dagen voor Rudolf Schock's  plotselinge overlijden op 12 november 1986 sluit hij zijn allerlaatste koorconcert af met een operette-blokje.
Daarin zingt hij van Imre Kálmán 'Tanzen möcht' ich' uit de 'Csárdásfürstin' en 'Komm Zigany' uit 'Gräfin Mariza'.

Tussen 1948 en 1985 zingt Rudolf Schock op de grammofoonplaat vele malen muziek van Imre Kálmán in:
1953, 1954, 1956, 1958, 1962, 1965, 1966, 1967 en 1971.

In de bioscoop en op TV circuleren met Rudolf Schock v.a. 1958 de operette-verfilming van 'Gräfin Mariza' en Imre Kálmán's biopic 'Der Csárdáskönig'.

Op de Duitse radio zijn met Schock resp. v.a. 1953 & 1958  complete uitvoeringen van Kálmán's beroemdste operettes 'Die Csárdásfürstin' en 'Gräfin Mariza' te horen.
Op TV zendt het ZDF in 1968 een filmproduktie uit van Kálmán's 'Die Zirkusprinzessin' met Ingeborg Hallstein en Rudolf Schock.
Ook met Schock staan in datzelfde jaar Kálmán en Lehár centraal in de operette-show 'Auf ins Metropol'.
In 1978 wordt herinnerd aan het feit, dat Kálmán 25 jaar eerder overleed.
De titel van het grote operette-programma luidt: 'Ganz ohne UNGARN geht die Chose nicht! (Helemaal zonder Hongarije lukt het niet!)', wat wil zeggen, dat het operette-genre zonder de Hongaar Imre Kálmán ondenkbaar zou zijn geweest.  

***********************************************************************

Rudolf Schock trad live nooit op in een theateruitvoering van een Kálmán-operette.
Wat het operette-genre betreft, was hij op het toneel alleen te zien in:
  • Lehár's 'Die lustige Witwe', 'Der Graf von Luxemburg', 'Das Land des Lächelns';
  • J. Strauss Jr's 'Der Zigeunerbaron'. 'Eine Nacht in Venedig', 'Die Fledermaus';
  • Berté's 'Das Dreimäderlhaus' (naar Schubert) in de jaren 70;
  • Ziehrer's 'Die Landstreicher' en Millöcker's 'Der Bettelstudent' in de jaren 30, Schock's beginnersjaren.
***********************************************************************
Imre (Emmerich) Kálmán (1882 - 1953)







   






Imre Kálmán was werkelijk wereldberoemd.
Het is nog niet zo lang geleden, dat componisten als Johann Strauss jr, Franz Lehár, Imre Kálmán e.a. in de muzikale wereld een enorme status hadden.
Sinds de jaren 60 van de vorige eeuw bladderde die status af en raakte zij bekneld tussen aan de ene kant de sterk opkomende pop(ulaire) cultuur van de jongeren en aan de andere kant een zich naar binnen kerende elite, voor wie populariteit en serieuze kunst onverenigbaar waren
De populair-klassieke operette viel uit de tijd en wereldwijd werd haar plaats ingenomen door de musical comedy.
Kálmán's kwalitatief belangrijkste operettes waren in 1912 'Der Zigeunerprimas', in 1915 'Die Csárdásfürstin', in 1924 'Gräfin Mariza', in 1926 'Die Zirkusprinzessin' en in 1930 'Das Veilchen von Montmartre'.

Dominant in zijn werk is de Hongaarse puszta/zigeuner-folklore.
Hierin gingen Johann Strauss jr, Georg Jarno en Franz Lehár hem voor in resp. 'Der Zigeunerbaron' (1885), 'Die Försterchristl' (1907) en 'Zigeunerliebe' (1910).

Affiche voor de 'Zigeunerbaron' van Johann Strauss Jr.

































Maar Kálmán gaat verder dan zijn voorgangers!
Hij zet de ongebreidelde folklore van zijn zigeuners uitdagend af tegen de ingeperkte en aangeharkte standenmaatschappij. 
In een compositorisch perfect vuurwerk van zang en dans baant zich het vrije, ongebonden leven van de uitgestrekte Hongaarse steppe een weg naar buiten.  Daar appelleert het aan het menselijk verlangen naar een volledige vrijheid.

'De drie Zigeuners'
Schilderij van Alois Friedrich Schönn
1859































Ook in het circus en de Parijse kunstenaarswereld (de "bohème") meent Kálmán die mechanismen te zien, wat hem brengt tot het componeren van de 'Zirkusprinzessin' en het  'Viooltje van Montmartre'.

Uiterlijk gedraagt Imre Kálmán zich in het 'normale' leven verre van "ongebreideld", "uitdagend" en "ongebonden".
Hij is ernstig, bescheiden en lijkt soms een beetje triest.




















In de aanloop naar de 2e wereldoorlog doen de Nazi's een poging Imre Kálmán, die Joods is, voor Duitsland zo te positioneren, dat hij ongestoord verder zou kunnen componeren.
Maar Kálmán verhuist bijtijds naar Parijs.
Daarna reist hij door naar de VS (Californië), waar hij verschillende muzikale activiteiten met succes voortzet.
Na de oorlog vestigt hij zich uiteindelijk weer in Parijs, waar hij in 1953 overlijdt.

Kálmán's belangrijkste operettes:  

Der Zigeunerprimas (1912),
waarin een botsing van generaties:


Rácz Páli, vioolvirtuoos in een zigeunerkapel wordt oud.
Zijn zoon Láczi, een minstens zo virtuoos vioolsolist, dreigt hem te overvleugelen.
Aan het eind van de handeling beseft Páli, dat dit nu eenmaal de loop der dingen is....

De 'Zigeunerprimas' had groot succes in de VS en in Europa werd de operette alom bejubeld.

Maar lmán's 'Chárdásfürstin' was 3 jaar later zo'n sensatie, dat zij de 'Zigeunerprimas' voor altijd naar de achtergrond verwees.

De hier nauwelijks bekende Estlandse bariton GEORG OTS (1920-1975) zingt tijdens zijn laatste concert (1975) de Hongaarse versie van Páli's 'Mein alter Stradivari' uit 'Der Zigeunerprimas'  van Imre Kálmán:




Een 34-jarige JOSEF METTERNICH zingt hetzelfde lied op YouTube. In de oorspronkelijk Duitse tekst van Grünbaum & Wilhelm. Groots van stem, maar nog te jong om de wijze weemoed van Georg Ots te laten horen (LINK: Josef Metternich zingt 'Mein alter Stradivari' 1949).
De opname is van onderstaande CD, waarop Franz Marszalek de complete  'Zigeunerprimas' dirigeert. Behalve Josef Metternich is ook zijn vrouw Liselotte Losch soliste.
















Die Csárdásfürstin (1915),
waarin een botsing van standen:



Filmaffiche 1927































Zonder botsingen geen drama, komisch dan wel treurig.
Eerst komt het conflict en in het kielzog daarvan de inspiratie voor boek of toneelstuk, film of  opera/operette.

Een conflict tussen vertegenwoordigers van de adel en het "theater/cabaret/variété" zoals in 'Die Csárdásfürstin' zal nu als "niet meer van deze tijd" worden beschouwd. M.a.w.: deze operette zal nu worden gezien als "hopeloos verouderd". 


Ervan afgezien, dat conflicten tussen standen zeker niet de wereld uit zijn, gaat het echter niet om het soort conflict, maar om het feit, dat er een conflict bestaat
Conflictsituaties zijn er legio: tussen generaties, rassen, godsdiensten, landen, stammen, politieke partijen en ideologieën, maar ook tussen families, buren en afzonderlijke individuen. En dankzij al die conflicten is er een constante stroom aan meeslepend drama: 

De gevierde, Hongaarse zangeres Sylva Varescu en de voor haar te hoog geboren Edwin Ronald von und zu Lippert-Weylersheim koesteren een sterke, maar onmogelijke liefde voor elkaar.
Sylva is de ster van het 'Orpheum'-cabaret, dat tot Edwin's schrik onverwacht aan een langdurig tournee door de VS gaat beginnen.
In een wanhopige poging dat te verhinderen laat hij halsoverkop bij contract vastleggen, dat hij al binnen 8 weken met Sylva wil trouwen. 
De toekomstvisie van Edwin's vader is echter een totaal andere: zijn zoon zal gravin Anastasia ("Stasi") huwen en beslist niet die "juffrouw van het theater".
Edwin is opeens het beklagenswaardig middelpunt van een pijnlijk conflict...


Componist Imre Kálmán "vertaalt" het tekstboek van Leo Stein & Bela Jenbach met een stortvloed van meeslepende melodieën: nu eens bekoorlijk en bedekt ironisch, dan weer vurig en onverhuld erotisch.
Bv. in de 2e akte wordt in het 'Zwaluwenduet' door Edwin en gravin Stasi met door Kálmán ironisch bedoelde plechtigheid gefantaseerd over het samen bouwen van een nestje. Maar de gravin wijst er streng op, dat zij, "alleen als Edwin lief en braaf is", voor altijd bij hem blijft:


















Het grote duet - ook in de 2e akte - van Edwin en Sylva is totaal anders van karakter ("Weisst du es noch?"). Na een jubelend intro over "oneindige vreugde, broeierige blikken, zachte strelingen en de betoverende en tegelijk angstaanjagende zang en dans van zigeuners" zwelgen zij in de herinnering aan de "zoete roes, die hen ooit in extase bracht": operette, die niet voor opera onderdoet:











Vier opnamen van de 'Csárdásfürstin' met Rudolf Schock als Edwin:













1) 1953 (December):
Highlights uit een complete radio-uitvoering, die gewist zou zijn.
Op Membran/Documents Ordernr. 231709 zijn de fragmenten als bonus gekoppeld aan een complete radio-uitvoering van 'Die Zirkusprinzessin' onder dirigent Franz Marszalek met Franz Fehringer als Mr. X en Sári Barabás als Fedora. Het geluid van de CD's is passabel.

Wilhelm Stephan (1906-1994) dirigeert koor en orkest van de Nordwestdeutscher Rundfunk Hamburg (NDR).

Colette Lorand (1923) zingt Sylva Varescu
Anneliese Rothenberger (1924-2010) zingt Gravin Anastasia ("Stasi")
Rupert Glawitsch (1907-1981) zingt Graaf Boni
Josef Meinrad (1913-1996) speelt Feri von Kerekes, artistiek leider van het "Orpheum"-cabaret.


Josef Meinrad

















Josef Meinrad, de beroemde Oostenrijkse toneelacteur, is hier een vreemde eend in de bijt. Maar dat is voor hem geen enkel beletsel er zonder schroom op los te zingen in het duet met Glawitsch: "Alle sind wir Sünder/Die Mädis vom Chantant".
Voor liefhebbers van de 3 Sissy-films moet Josef Meinrad een goede bekende zijn: hij speelt daarin Oberst Böckl, adjudant van de keizerin.

Rupert Glawitsch
(geschilderd door Rüdiger Wintzen)




















Rupert Glawitsch was rond de oorlog in radio-uitzendingen uitermate populair als opera- en operettetenor. Ook trad hij veelvuldig op als liederenzanger. In zijn bijdragen aan deze opnamen spat het plezier er vanaf. Hartverwarmend is  het enthousiasme, waarmee het Hamburgs radiokoor hem aanvult.


Anneliese Rothenberger


















Anneliese Rothenberger is ideaal als gravin "Stasi". Ze is gezegend met een elegante, warme sopraanstem, die perfect past bij haar rol in deze operette. Het 'Zwaluwenduet' met Rudolf Schock krijgt een luxe (én integrale!) uitvoering. Op de Rothenberger-CD 'In mir klingt ein Lied' van Sonia (nr. 77036) klinkt deze opname overigens veel beter dan op Membran. 

Colette Lorand















Colette Lorand & Rudolf Schock zijn superieur als het centrale liefdespaar.
Eén opmerking: in Sylva's openingslied 'Heia, in den Bergen ist mein Heimatland' zingt de Zwitserse zangeres de eindlettergreep van enkele werkwoorden als "an" i.p.v. "en". Zo wordt het werkwoord lieben" tot "lieban", wat "daftig" in de oren klinkt. De oorzaak zijn echter Zwitserse taalinvloeden.


Rudolf Schock is in 1953 al geheel en al gepredestineerd voor Kálmán's meeslepende muziek!
Het grootse en ook compleet uitgevoerde duet 'Weisst du es noch" is een genot om te beluisteren. Gelukkig bestaat er hiervan ook een klanktechnisch mooiere versie en wel op de CD 'Rudolf Schock und seine Lieder' van Koch-Records (Nr. H 321 679).



2) 1954 (December):
Deze 20-minuten selectie in combinatie met die van 'Gräfin Mariza' is feitelijk de eerste, echte operette-studio-productie van Electrola met Schock ('Gräfin Mariza' uit 1947/1948 is een vrijwel onopgemerkt gebleven curiositeit).
In deze eeuw verschenen beide Kálmán-selecties gelukkig weer op CD (EMI 7243 5 75150 2 3). Het mono-geluid van de CD is prima.

Wilhelm Schüchter (1911-1974) dirigeert koor & Berliner Symphoniker

















Sári Barabás (1914-2012) zingt Sylva Varescu
Herta Staal (1930) zingt Gravin Anastasia ("Stasi")

Rupert Glawitsch zingt opnieuw Graf Boni















Wilhelm Stephan, dirigent van de complete 'Czárdásfürstin' uit 1953, Franz Marszalek en Werner Schmidt-Boelcke gelden als belangwekkende naoorlogse operette-specialisten.

Wilhelm Schüchter staat niet als zodanig bekend.
Hij was een "Kapellmeister", die internationaal vele concerten en opera's dirigeerde en de reputatie had "streng en strak" te zijn.
Rudolf Schock werkte graag met hem en Schüchter waarschijnlijk graag met Schock. 
Dit bracht hen samen in de opnamestudio's, waar Wilhelm Schüchter tot een vrijwel exclusief orkestraal begeleider werd van een tenor met een enorm gevarieerd muzikaal repertoire.
Op ELECTROLA dirigeerde Schüchter met Schock behalve opera opeens ook operette-fragmenten én populaire salon- en volksliederen ('Aus der Jugendzeit', Jöde's 'Rose-Marie', 'Alle Tage ist kein Sonntag', Winkler's 'Mütterlein', 'Caro mio ben' e.a.).
Na Rudolf Schock's overstap in 1962 naar EURODISC stopte de samenwerking tussen Schock en Schüchter niet. Er verschenen nog meer opera-opnamen en succesvolle liederen als 'Der Mond ist aufgegangen', 'So nimm denn meine Hände' en 'Dank sei Dir, Herr'.

Bij muziekrecensent Thomas Voigt las ik, dat Kálmán's echtgenote Vera (1907-1999) de Hongaarse sopraan Sári Barabás als "de beste Kálmán-zangeres ooit" beschouwde. 


Sári Barabás















Na het nog eens beluisteren van de EMI-opname kan ik Vera Kálmán alleen maar gelijk geven. Sári Barabás beweegt zich als een vis in het water door de fragmentjes Kálmán-partituur. Met een stem, die kristalhelder is en een temperament, dat niet over-the-top wordt uitgespeeld.
Rudolf Schock, m.i. overigens "de beste Kálmán-zanger ooit", is in de rol van de geplaagde, jonge Edwin opnieuw in zijn element.

Rupert Glawitsch voldoet ook aan alle verwachtingen, maar Herta Staal is als gravin "Stasi" niet te vergelijken met Anneliese Rothenberger.  Dat is logisch. Herta Staal was geen klassiek geschoold zangeres. Ze was filmactrice en had een klein, maar lief stemmetje. 


Let wel: het gaat in deze kleine selectie niet om het verhaal, maar om een boeket pakkende melodieën. Dat leidt ertoe, dat het - gehalveerde - "Zwaluwenduet" los van de rolverdeling wordt gezongen: Herta Staal zingt "Stasi ", maar haar zangpartner is Rupert Glawitsch.


Graag wijs ik op een muzikale edelsteen uit deze opname van nog geen 2 minuten (track 4 op bovengenoemde EMI-CD). 
Het orkest opent tragiek voorspellend. Edwin (Rudolf Schock) leest zijn overhaaste trouwbelofte voor, waarop Sylva (Sári Barabás) droevig antwoordt: "Das ist ja nicht möglich (Dat is toch niet mogelijk)". De laatste lettergreep "lich..." laat zij langzaam wegsterven. Het koor zingt dan indringend: "Die Mädis vom Chantant, die nehmen die Liebe nicht so tragisch". Het besef, dat de ontredderde Edwin en het verbijsterde "Mädi vom Chantant" Sylva door de grond gaan, maakt, dat je mét hen in de diepte verdwijnt.
Een diepgang, die ik toeschrijf aan de muziekdramatisch be- en gedreven Wilhelm Schüchter: 



(Will be continued/Wordt vervolgd!)

Krijn de Lege, 30.6.2017

Keine Kommentare: