27.10.12

RUDOLF SCHOCK ZINGT CHARLES GOUNOD


lithografie 1835
'Sie ist gerichtet! Ist gerettet!'
Wilhelm Hensel
1794-1861
                                                                  
Rudolf Schock zingt Charles Gounod


Rudolf Schock


in 1938
zingt de 23-jarige Schock aan het 'Landestheater' van Braunschweig de rol van Siebel (!) in de première van Gounod's opera 'Faust'.

in 1949
behoort de - Franstalig gezongen - grote aria van Faust: 'Salut, demeure chaste et pure' tot het repertoire van Schock tijdens een tournee door Australië (zie ook 'RS zingt Sir Arthur Bliss')

uit de 2e helft van de jaren 40
- met dank aan de heer Ludwig Stumpff - een zeldzame radio-opname van een lied, dat oorspronkelijk van Gounod is: 'Liebchen, komm in's duft'ge Grün': 
 

in 1951 
neemt hij onder dirigent Gustav König voor de 'West-Berlijnse radio-omroep in de Amerikaanse sector (RIAS)' diezelfde aria op in het Duits: 'Sei mir gegrüßt, o heilge Stätte'. De mooie opname is bewaard gebleven:
 
(LINK naar 'Sei mir gegrüßt, o heilge Stätte' uit 'Faust')

in 1957  
maakt Electrola/EMI met Rudolf Schock en dirigent Wilhelm Schüchter een plaatopname van de Duitse versie van Faust's aria, compleet met recitatief.

in 1963
neemt Eurodisc hoogtepunten op uit de opera 'Margarethe' oftewel 'Faust' met o.a. Rudolf Schock, Hilde Güden en Gottlob Frick. Wilhelm Schüchter heeft de muzikale leiding.

in 1978
verschijnt de Eurodisc-LP 'Für meine Freunde'. Op die LP zingt Rudolf Schock ondermeer een aantal bekende aria's voor bariton, waaronder uit 'Faust' de aria van Valentin 'Da ich nun verlassen soll (Avant de quitter ces lieux)'.

In 1953, 1955 en 1967 maakt Schock studio-opnamen voor Electrola en Eurodisc van een 'Maria wees gegroet', dat alom bekend staat als het 'AVE MARIA van Bach/Gounod'. In de zomer van 1953 neemt hij voor de film 'Du bist die Welt für mich' nog een tweede 'Ave Maria' op.

Charles Gounod (1818-1893)
Charles Gounod rond 1890
 
Zoon van een gerespecteerd kunstschilder en een succesvolle pianiste.
Oogstte wereldroem vanaf 1859, het jaar waarin te Parijs zijn opera 'Faust' in première ging.

Hector Berlioz
Legde zich aanvankelijk toe op kerkmuziek en koesterde de met recht vrome wens, priester te worden. Tot het moment, waarop hij de componist en schrijver Hector Berlioz (1803-1869) leerde kennen.


Johann Wolfgang von Goethe











De artistieke relatie met Berlioz leidt tot de transformatie van de kerkcomponist Gounod in de operacomponist Gounod. Het is verleidelijk aan te nemen, dat Berlioz' 'concert-opera' uit 1846 'La Damnation de Faust' hierbij een belangrijke rol heeft gespeeld. De Faust-stof daarvan sluit naadloos aan bij Gounod's bewondering voor de literaire en wetenschappelijke reus Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), wiens veelgelaagde theaterstuk 'Faust' deze een levenlang bezighield.

Ary Scheffer 1795-1858,
 schilder uit Dordrecht:
Faust et Marguerite 























Na 1850 ontvouwen zich in rap tempo Gounod's muziekdramatische mogelijkheden met als hoogtepunten 'Faust et Marguerite' (1859), het onderschatte 'La Reine de Saba' (1862, zie ook 'RS zingt Karl Goldmark'), 'Mireille' (1864) en 'Romeo et Juliette'(1867). Gounod's ruime ervaring met de kerkmuziek verloochent zich daarbij niet.
De Frans-Pruisische oorlog van 1870/1871 is voor Charles Gounod en zijn echtgenote Anna Zimmermann aanleiding naar Engeland uit te wijken. Gounod vestigt zich in Londen als dirigent van een koorgezelschap, dat later de 'Royal Choral Society' zou gaan heten. En wat te verwachten was: de kerkmuziek wordt wederom het middelpunt van zijn muzikale activiteiten.

Dan was er het schandaal:
Ch. Gounod en Georgina Weldon
(reprodart, french school)
Gounod was een charmante man, die, naar verluidt, nogal wat affaires had. Echt beschadigend is de relatie in 1871 met de bijna 20 jaar jongere Georgina Weldon.
Gounod is serieus verliefd op haar en schuift Georgina letterlijk naar voren als favoriete solo-zangeres van zijn koor.
Hij bezoekt vervolgens de familie Weldon meer dan zijn eigen vrouw. Anna komt in opstand, maar Gounod stuurt haar terug naar Parijs.

Dit valt slecht in Londen, maar dreunt ook door in de rest van de wereld. De negatieve invloed, die Georgina op Charles uitoefent, leidt ertoe, dat hij op haar advies de aanbieding, artistiek leider te worden van het 'Conservatoire de Paris', afslaat. Ook stelt de jonge vrouw steeds meer kostbare eisen, die Gounod veel geld kosten. In 1874 strandt de heilloze affaire en verzoent Charles zich weer met Anna.
Anna Zimmermann
tekening van J. A. Ingres
Georgina Weldon heeft tot aan haar overlijden in 1914 de wereld er altijd aan helpen herinneren, dat Gounod alleen van haar hield. Zij kon dat weten, omdat zij  tijdens seances in de jaren na zijn dood door middel van een medium voortdurend met hem in contact was gebleven.





'Ave Maria' van Bach/Gounod' 
Ave Maria, gratia plena,
Dominus tecum,
Benedicta tu in mulieribus,
et benedictus fructus ventris tui, Iesus.

Sancta Maria, Mater Dei,
ora pro nobis peccatoribus,
nunc et in hora mortis nostrae.
Amen, Amen.


(Wees gegroet, Maria, vol van genade,
de Heer is met u,
Gij zijt de gezegende onder de vrouwen,
En gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot.

Heilige Maria, Moeder Gods,
Bid voor ons, zondaars,
Nu en in het uur van onz dood.
Amen, Amen)
 








De oerversie van dit overbekende lied is waarschijnlijk op noten gezet door Joseph-Guillaume Zimmermann, een gevierd pianist én Gounod's schoonvader. Zimmermann schreef eenvoudigweg - en onopgemerkt? -  op, wat zijn schoonzoon Charles hem op de piano voorspeelde: een romantische improvisatie op de 'prélude nr. 1' uit 'Wohltemperiertes Klavier' (1722) van Johann Sebastian Bach (1685-1750).

Op zijn beurt trakteerde Anna Zimmermann's vader in 1853 zijn schoonzoon thuis op een uitvoering ervan mét gezongen tekst - mogelijk van Alphons de Lamartine (zie 'RS zingt Godard') - en begeleiding door piano en viool, getiteld: 'Méditation sur le prélude no.1 de Bach'.
In 1859 tenslotte stelde Aurélie Jousset, schoonmoeder van één van de zangleerlingen, Gounod voor, de woorden van de 'Méditation' te vervangen door die van het Latijnse gebed 'Ave Maria (Maria wees gegroet)'. Hij nam dit advies over en zo werd de protestantse Bach de rooms-katholieke kerk binnengesmokkeld. 

Gounod heeft dit 'Ave Maria' nooit belangrijk gevonden en deed het zelfs af als "een grapje". In de autobiografie zegt hij er niets over.
Het volk - of beter gezegd - de volkeren en hun nakomelingen dachten er echter anders over: van een voor de 19e eeuw typisch salonlied (zie 'RS zingt Carl Bohm') groeide het 'Ave Maria van Bach/Gounod' uit tot een wereldwijd geliefd verzoeknummer bij o.a. huwelijken en begrafenissen. Vrijwel alle zangeressen en zangers van naam hebben het lied gezongen en op de plaat gezet, van Barbra Streisand tot Cecilia Bartoli, van Mario Lanza tot Juan Diego Florez.

RUDOLF SCHOCK zingt het 'AVE MARIA van Bach/Gounod'

In de Oostenrijkse Tauberfilm 'Du bist die Welt für mich' (Nederlandse titel: 'De Levensroman van Richard Tauber') uit 1953 is Schock's 'Ave Maria van Bach/Gounod' de effectieve finale van de film.

Richard Tauber (Rudolf Schock) zingt het lied aan het graf van Christine (Annemarie Düringer), die aan een hartkwaal is gestorven en 'de wereld voor hem was'. De plot is fictie en volgens menig filmrecensent "oersentimenteel". Maar dat laatste is onjuist: iedereen raakt in zijn of haar leven meer dan eens ontredderd door de dood van iemand, waarvan hij of zij houdt. Daar mag een film over gaan en zeker als dat - zoals in Marischka's film - op een ingehouden manier gebeurt.
Annemarie Düringer en Rudolf Schock














De 'Richard Tauber Story' (de naam, waaronder de film in de VS werd uitgebracht) steunt stevig op vier pijlers:

1) het inzicht van de filmmaker Ernst Marischka in de psyche van de toeschouwer voor wie de film is bedoeld (zie 'RS zingt Berté');












2) het hartveroverend acteren van Annemarie Düringer, destijds aan het begin van een grote toneel-(en film-)carrière;

 








3) het innemende optreden van de ervaren acteur Richard Romanowsky als Tauber's zangleraar;











4) en de superieure zang van Rudolf Schock (een paar keer gesecondeerd door de stem van Richard Tauber). Schock zingt - behalve 'Ave Maria' -  fragmenten uit werken van Meyerbeer, Mozart, Verdi, Offenbach, Kienzl, Lehár én Tauber zelf.
Rudolf Schock
Richard Tauber












Hubert Bals


(NB: Hubert Bals, de inmiddels overleden 'godfather' van het Internationale Filmfestival Rotterdam schreef ooit, dat zijn eerste leerzame filmherinnering 'De levensroman van Richard Tauber (Du bist die Welt für mich)' was. Hij kwam door die film tot het besef, hoe belangrijk voor het doeltreffend overbrengen van een flimverhaal op de toeschouwer de montage-momenten zijn. Bals gaf als voorbeeld Marischka's timing van die momenten vanaf een radio-concert met Tauber, die Lehár's 'O, Mädchen, mein Mädchen' zingt, tot aan Christine's verzoek aan Tauber het 'Ave Maria' te zingen. Al na het woord 'Ave' valt zij terug in het kussen en sterft.
Toen ikzelf de film voor het eerst zag - ik had nog nooit van Rudolf Schock gehoord en droeg zeker geen roze bril - troffen deze sober getoonzette scènes mij als een moker. Even later, tijdens Schock's geladen 'Ave Maria' bij het graf, zwom ik haast letterlijk in tranen. Ik was niet de enige, want ik maakte gelukkig deel uit van wat een gevoelsarme 'filmrecensent' betitelde als "reusachtige horden van zakdoekenbrigades, die destijds de bioscoopkassa's bestormden" (zie 'Robert Hofman's 'Speelfilm-Encyclopedie' 1982' en de echo daarvan nu nog altijd op internet).

Als de componist Richard Tauber aan de beurt is, hoop ik nog wat uitvoeriger op deze miskende film in te gaan. Voor nu wil ik er alvast attent op maken, dat het in 2013 precies 60 jaar geleden is, dat 'Du bist die Welt für mich' in première ging. Dat lijkt me een goed moment - bv. voor 'ARTHAUS MUSIK' of 'ZYX-music' - deze Marischka/Schock-film op DVD uit te brengen. Veteranen van de 'zakdoekenbrigades' van toen en een aanzienlijk aantal verse troepen zijn zeker in de film geïnteresseerd. 

- De opnamen van 1953:
De Oostenrijkse opname van 'Ave Maria' voor de film wordt met de Wiener Symphoniker gemaakt in de zomer van 1953 en de eerste Berlijnse plaatopname voor Electrola/EMI een half jaar later. Wilhelm Schüchter dirigeert zowel in Wenen als in Berlijn.
De Electrola-opname presenteert feitelijk een duet van Schock met de violist Helmut Heller. Op de achtergrond klinkt een koor-zonder-naam. Rudolf Schock zingt gepast lyrisch en nergens zalvend. De regel 'Nu en in het uur van onze dood (nunc et in hora mortis nostrae)' verraadt emotie en moed.

Profil-Edition Günter Hänssler biedt de opname aan op CD nr. PH08058. Op deze CD zijn o.a. scènes uit opera's (waaronder Gounod's 'Faust'), operettes en salonliederen te horen.
 
- De 3e 'Ave Maria'-opname van januari 1955
komt uit de Rudolf Oetker Halle te Bielefeld. Wilhelm Schüchter leidt de Nordwestdeutsche Philharmonie en het Bielefelder Kinderchor zorgt voor de stemmige omlijsting. De harp komt nu in de plaats van de viool. Schock zingt prominenter op de voorgrond en is wat dramatischer dan in 1953, maar hij sentimentaliseert niet.

O.a. op de oude EMI-CD: 545-CDM 7 69475 2 met operette en zes willekeurig gecombineerde liederen en op CD 2 van de eerste Schock-10CD-set van Membran is dit 'Ave Maria' te horen.  De EMI-uitgave klinkt beter dan die van Membran.   
Bielefelder Kinderchor o.l.v. Jürgen Oberschelp (zoon van Friedrich)
 in de Rudolf Oetkerhalle te Bielefeld 2011
















(Rudolf Schock maakte met het Bielefelder Kinderchor van Friedrich Oberschelp (1895-1986) in het midden van de vorige eeuw een aantal bijzonder succesvolle opnamen voor Electrola. De welluidende, eerlijke klank van zowel kinderkoor als tenor zegevierde  over de sentimentaliteit, die bij een dergelijke combinatie al vlug op de loer ligt. Ik vond het plezierig te lezen, dat het koor nog altijd bestaat en op dit moment tachtig (!) jaar jong is)

- De stereo Eurodisc-opname van 21 juni 1967 
is die van de eenvoud. Schock's klankkader: harp, orkest en een terughoudend Günther-Arndt-koor is sober. De nuanceringen in Schock's voordracht geven er blijk van, dat zijn omgang met teksten in de jaren zestig nóg sterker is geworden. Vocaal is hij volmaakt in vorm. Tenslotte: alle lof voor het arrangement van dirigent Werner Eisbrenner. Van Schock's vier Ave Maria's is dit voor mij de mooiste.












De opname staat op de CD 'Die grossen Erfolge: Rudolf Schock Stimme für Millionen' nr. 610229-231 van Sony/Ariola en is als download verkrijgbaar. 

Ook dít is van Gounod: Een zeldzame radio-opname van Rudolf Schock:
 
Op de Rudolf Schock-website van Rob van Brink verzorgt Schock-kenner Ludwig Stumpff overzichten met opnamen en leverbare CD's van Rudolf Schock. Verder rubriceert hij zorgvuldig de namen van zangsolisten en dirigenten, met en onder wie Schock heeft samengewerkt.
Al menig keer ontving ik van de heer Stumpff bijzondere tips.

Zo refereerde hij n.a.v. mijn artikel over Charles Gounod aan een oud geluidsbandje, waarop een jonge Rudolf Schock - met orkestbegeleiding en in het Duits - een lied van Gounod zingt. De radio-opname moest - gehoord Schock's zang - waarschijnlijk uit de 2e helft van de jaren veertig stammen. De titel van het operette-achtig aandoende, iets meer dan 2 minuten durende lied is 'Liebchen, komm mit in's duft'ge Grün (Liefje, kom mee in het geurige groen)'. Meer informatie was niet beschikbaar.

Enig speurwerk op internet leidde tot de volgende resultaten:Het lied(je) is van oorsprong een 'Chanson de printemps (Lentelied)', een salonlied, dat door Gounod in het midden van de 19e eeuw werd geschreven. Hij schreef er meer, maar het Franse chanson, dat overduidelijk bij de door Schock gezongen Duitse vertaling past, heb ik (nog) niet kunnen vinden.

'Chanson de Printemps'
schilderij van William Adolphe Bougereau
1825-1905





In het tijdschrift 'Deutsche Wacht', het 'Duits-Hongaars orgaan voor behartiging van de politieke, geestelijke en culturele belangen van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije' schrijft op 6 mei 1894 een journalist met de initialen B.N. een uit het Frans vertaald (!) artikel onder het hoofdje 'GOUNOD'S FRÜHLINGSLIED'.
Dit artikel plaatst de nostalgische lezer in het hart van de 19e eeuw, waarin Gounod's liedcomposities erg populair waren:
"....Er klonk een oud lied in mijn oor....ik was in een Café chantant, dat - in tegenstelling tot andere etablissementen, die op noviteiten jagen - oude, lieve bekenden opdiept...Nu, daar verscheen een jonge vrouw en zij zong een tientallen jaren oud lied van Gounod: 'Liebchen, komm' mit in's duft'ge Grün'....de zangeres bekommerde zich noch om de tekst noch om de muziek, ze zong met frisse stem luide tonen en riep bij mij een wereld van herinneringen op. Ik had het lied voor het eerst gehoord in een kleine stad...ik zag de verlaten straten, waar tussen de stenen het gras groeide...de langzaam stromende beek, die zijn spel met de waterplanten speelt...het beeld van mijn eerste jeugd...van schuchter verlangen, van bloeiende dromen. Opnieuw drong het verleden zich aan mij op: ik zat in een schamel ingerichte salon en een jong meisje van 20 jaar stond bij de vleugel, Gounod's lied zingend. Er waren rieten fauteuils en tussen de beide ramen, waarvan de halfgesloten luiken nauwelijks een zonnestraal toelieten, bevond zich de vleugel en daarvoor de zangeres in een lichte jurk, met krullend haar...Het meisje heette Eveline, ze was bleek en tenger en had een trotse, hoogmoedige blik. Haar kwijnende verschijning, haar afstandelijke optreden vervulden mij met bewondering, ze verscheen mij als een engel, die zich boven het stof der aarde verheft, ik beminde haar en een stem in mijn innerlijk riep haar toe: "Liebchen, komm' mit in's duft'ge Grün...."


Na Gounod's overlijden in 1893 koopt en bewerkt Eduard Strauß (1835-1916), een jongere broer van Johann Strauß Jr.(!), de muziek van dit 'Lentelied'. De Franse tekst wordt vertaald (of - naar ik geloof - hertaald) in het Duits en vanaf dat moment staat het 'Frühlingslied' op naam van Eduard Strauß, weliswaar met de toevoeging: 'naar Charles Gounod'. Vervolgens spelen "componist en Hofballmusik-Director Eduard Strauß" en zijn "Kapelle" het tot Weens operette-walsje getransformeerde lied tijdens concertreizen door Europa en Noord-Amerika.










De gang van zaken bij het 'Frühlingslied' doet mij denken aan wat Benjamin Godard's 'Berceuse' overkwam (zie 'RS zingt Godard'): twee versies van hetzelfde lied, het ene een serieuze, religieus gekleurde opera-aria en het andere een triviale, wereldlijke "hertaling", waaruit de originele inhoud vrijwel geheel is verdwenen!


Op het bandje van de heer Stumpff zingt Schock in een radiouitzending het 'Lentelied van Gounod/Strauß' (weer eens wat anders dan het 'Ave Maria van Bach/Gounod'!). En hij zingt dat zo jubelend, dat aan het eind de luisteraar mét het orkest nog een tijdje natolt!

'Faust et Marguerite' van Charles Gounod
Nu moet ik oppassen! Er is zoveel te vertellen over de magiër FAUST en over diens omzwervingen in Goethe's gelijknamige levenswerk, dat ik mij tot het uiterste moet beheersen, die weg niet in te slaan. Hij zou mij te ver van Charles Gounod en Rudolf Schock voeren. Dus beperk ik mij tot het rode lijntje, dat loopt van de oorspronkelijke Dr. Faust via Johann Wolfgang von Goethe naar Gounod.



Dr. Johannes Faust
(zie ook de mooie website
www.johannfaust.de
 
Doktor JOHANNES (ook wel Georg) FAUST leefde in Duitsland van 1480 tot 1540. Hij hield zich bezig met zwarte kunst, deed aan sterrenwichelarij en had een praktijk als kwakzalver. Gefluisterd werd, dat hij in nauw contact met de duivel stond.
In het als afschrikwekkend bedoelde middeleeuwse
'Volksbuch vom Doktor Faust' wordt hij geportretteerd als een geleerde, die van alles alles wil weten, tot de conclusie komt, dat God niet bestaat en daarmee zijn ziel en zaligheid verspeelt.
In een volksstuk van gelijke strekking voert men hem vervolgens 'in levenden lijve' op. Daarna wordt dit stuk omgewerkt tot een pedagogische poppenkastvoorstelling "voor onze kleinen".

Het is "deze belangwekkende poppenspel-fabel", die Goethe als kind ziet, en die maar in hem "bleef klinken en zelfs in alle toonaarden door het hoofd zoemen".

Johann Wolfgang von Goethe 1791
(tekening van Johann H. Lips)


















In 1775 - Goethe is dan 26 jaar oud - ontstaat zijn allereerste theaterversie: de zogeheten 'Urfaust' met het 'Gretchen-verhaal', dat teruggrijpt op een ware gebeurtenis. In 1806 - hij is 57 - publiceert Goethe de tragedie 'Faust, deel 1' in een filosofisch vele malen gelaagder vorm en in 1831 tenslotte - Goethe zou een jaar later overlijden - doorbreekt 'Faust, deel 2' alle dramatische conventies.
Johann Wolfgang von Goethe 1832
(tekening van C.A. Schwerdgeburth)






















Beknopte handeling van Goethe's 'Faust 1 en 2':

Goethe's 'zielendrama' laat - heel globaal gesproken - de beperkte mens zien in zijn onvermoeibare zoektocht naar het geheim van de wereld en het heelal, dat haar omringt:
 
Heinrich(!) Faust is oud en stelt vertwijfeld vast, dat hij aan het eind van een levenlang studeren en onderzoeken nog net zo weinig weet als toen hij in zijn jeugd daarmee begon.

Als hij een gifbeker aan de lippen brengt, verschijnt aan hem de duivel (Mefisto). Mefisto spiegelt Faust wereldse schatten als rijkdom, macht en zingenot voor: het grote geluk op aarde, dat de alleen op het hogere gerichte geleerde zijn gehele leven had moeten missen. Maar Mefisto gunt hem een herkansing: Faust kan alsnog dit veelomvattende geluk als jonge man ervaren en het enige, wat Mefisto als tegenprestatie van hem vraagt , is - niet eerder dan na het beleven van al dat moois - zijn ziel. Faust laat zich tot de ruil overhalen bij de aanblik van de beeldschone Gretchen, naar wie hij op slag hevig verlangt. Mefisto koppelt Faust aan het vrome meisje. Faust verleidt haar en wordt aansluitend door metgezel Mefisto op sleeptouw genomen voor een enerverende reis door een complexe wereld.


'Faust en Mephisto tijdens hun rit naar de Blocksberg'
(lithografie van Eugène Delacroix 1798-1863)


















Een zwangere Gretchen blijft ontredderd achter. Ze voelt zich eindeloos zondig, wordt waanzinnig en vermoordt haar pasgeboren kind. In afwachting van de uitvoering van haar doodsvonnis verdwijnt de kindermoordenares achter de tralies. Zij sterft biddend in haar cel op het moment, dat Faust terugkeert en haar wil bevrijden. Faust - geheel en al in zonde en schuld verstrikt - lijkt nu definitief in de macht van de duivel.
In deel 2 reist Faust met Mefisto door een hogere, maar niet minder complexe wereld. Daar vindt en aanvaardt Faust de rust van nuttige arbeid voor de gemeenschap. Mefisto verliest zijn greep op hem. Faust richt zijn vertrouwen op God. Als hij sterft, staat niets zijn hemelvaart meer in de weg.

Gounod en Goethe's 'Faust'


Charles Gounod in 1859


















De tekstboeken van bijna alle Gounod-opera's - inclusief 'Faust et Marguerite' -werden geschreven door Jules Paul Barbier (1825-1901) en Michel Carré (1819-1872).
Barbier en Carré toonden zich in 'hun' 19e eeuwse jaren vaardig in het comprimeren, simplificeren en opnieuw ensceneren van het werk van literaire grootheden. Bij Gounod overkwam dat dus Goethe ('Faust et Marguerite'), en ook Shakespeare ('Roméo et Juliette'), bij de componist Ambroise Thomas nog eens Goethe en Shakespeare (resp. in 'Mignon' en 'Hamlet') en bij Jacques Offenbach was de dichter/componist E.T.A. Hoffmann het 'slachtoffer' (in 'Les Contes d'Hoffmann (Hoffmanns vertellingen)'.

Wat 'Faust et Marguerite' aangaat, moeten de opvattingen van Barbier & Carré over wat 'romantisch' is, comfortabel hebben aangesloten op die van Gounod. Een behaaglijke 'romantiek', die in de 2e helft van de 19e eeuw veel - zo niet alles - weg had van wat ook nu nog als 'romantisch' wordt gezien. De componist moet vooral onder de indruk zijn geweest van de liefdesrelatie tussen de verjongde Faust en het diep gelovige en kuise Greetje: een romance van twee levensovertuigingen op één kussen, maar met de duivel er vervelend tussen. Gounod vindt er meeslepende melodieën bij: nu eens lyrisch en intiem, dan weer hevig dramatisch, al naar gelang de stemmingen van de hoofdpersonen en de situaties, waarin zij verzeild raken.

Met Goethe's tragedie uit 1806 ('Faust 1') heeft Gounod's 19e eeuws-romantische 'Faust et Marguerite' alleen nog een - op zich aansprekend - deel van de uiterlijke handeling gemeen. 'Faust 2' uit 1831 komt bij Gounod helemaal niet in beeld.



'Faust et Marguerite'
schilderij van Alexandre Colin
(1798-1875)























Handeling van Gounods 'Faust et Marguerite'



Akte 1:

De bejaarde en in de wetenschap teleurgestelde Dr. Faust verkoopt zijn ziel aan Mephisto(pheles). Als tegenprestatie geeft Mephisto Faust diens jeugd terug en belooft hij hem in contact te brengen met Marguerite. Een portret van het meisje betovert Faust.

Akte 2:
Valentin, Marguerite's broer, staat op het punt als soldaat de oorlog in te trekken. Hij bidt God, zijn zuster voor gevaren te behoeden (Valentin's gebed). Mephisto en Faust betreden het marktplein. Mephisto zweept het aanwezige volk op met een wild lied, waarin hij de macht van het geld verheerlijkt (Rondo van het Gouden Kalf). Ook maakt hij tegenover Valentin spottende opmerkingen over Marguerite. Dit leidt tot een duel. Natuurlijk is Valentin kansloos, maar hij overleeft dankzij de kruisgreep van zijn zwaard, bij het zien waarvan Mephisto het gevecht abrupt afbreekt. Als er walsmuziek klinkt en het volk geestdriftig begint te dansen komt Marguerite net uit de kerk. Het aanbod van Faust haar te begeleiden wijst zij af. Mephisto adviseert Faust geduld te hebben.

Akte 3:
In de avondschemering. De jeugdige aanbidder Siebel plukt bloemen voor Marguerite en zet grote ogen op, als hij ziet, dat de bloemblaadjes bij zijn aanraking direct verleppen.
Mephisto verschijnt met Faust in de tuin, maar vertrekt weer om ook een
presentje voor Marguerite te halen. Faust bezingt lyrisch de kuisheid en zuiverheid van de plek, waar Marguerite is opgegroeid (Faust's recitatief en cavatine).
Mephisto keert buitenaards snel terug met een kistje juwelen en legt dat naast de verpieterde bloemen. Hij en Faust verstoppen zich.
Marguerite komt, vol gedachten over de vreemde heer, die haar die morgen aansprak, de tuin in. Een weemoedig lied over de 'Koning in Thule' weerspiegelt haar stemming. Dan vindt zij de sieraden (juwelen-aria). Ze twijfelt: mag zij die wel houden? Ze vraagt het haar buurvrouw (Marthe) en die raadt haar aan de juwelen gewoon als geschenk te aanvaarden.
Mephisto en Faust komen te voorschijn Mephisto leidt hanig de buurvrouw af en schakelt de zoete geur van de bloemen in om Marguerite te bedwelmen (scène van Mephisto).
'Faust et Marguerite au jardin' 1861
schilderij van James Tissot
1836-1902
(Paris, Musée d'Orsay)


















Faust verklaart Marguerite zijn liefde en Marguerite kan niet anders dan beamen, dat ze ook van hem houdt (duet Marguerite/Faust).
Even nog wil Faust - ontroerd door de onschuld van het meisje - zich terugtrekken, maar Mephisto praat hem dat uit het hoofd. Faust valt in Marguerite's armen, terwijl Mephisto boosaardig lachend oplost in de nacht.

Akte 4:
Faust lijkt Marguerite te hebben verlaten. Marguerite wordt verscheurd door haar liefde voor hem en het groeiend besef een grote zonde te hebben begaan. In de kerk probeert zij tot God om vergeving te bidden, maar Mephisto verstoort dat.

'Marguerite in de kathedraal'
(illustratie van Norman Little)





















Soldaten keren terug uit de oorlog (soldatenkoor). Onder hen Valentin, die van Siebel hoort wat er met Marguerite is gebeurd. Faust is intussen - tegen de wil van Mephisto in - toch naar haar toegegaan, wat Mephisto ertoe brengt het meisje een wrange serenade te brengen (Serenade van Mephisto). Valentin stormt Marguerite's woning binnen en daagt Faust uit tot een duel. Mephisto pareert op afstand de stoten van Valentin, waardoor Faust de kans krijgt deze dodelijk te verwonden. De stervende Valentin vervloekt zijn zuster. Marquerite is buiten zinnen.

'Valentin's dood'
Lithographie von Eugène Delacroix
























Akte 5:
Faust beleeft tijdens de Walpurgisnacht op de Blocksberg (hoogste berg van het Brockengebergte in de Harz) een bacchanaal tijdens een heksensabbat. Mephisto roept bij Faust visioenen op van vrouwengestalten uit de klassieke oudheid én van de lijkbleke Marguerite met een bloedrode streep rond haar hals. Faust dwingt Mephisto hem naar haar terug te brengen.


'Walpurgisnacht: Mephisto roept visioen van Marguerite op'
lithografie van Eugène Delacroix



















De waanzinnig geworden Marguerite wacht in de gevangenis op haar terechtstelling. Ze heeft haar kind gedood, maar beseft dat niet. Ze wiegt het in haar armen. Faust verschijnt en wil met haar vluchten. Marguerite weet niet meer wie hij is, maar geleidelijk aan (Gounods muziek helpt) komt de herinnering terug aan de nachtelijke ontmoeting in de tuin (scène Faust/Marguerite). Mephisto stuift binnen. Hij dringt er op aan, haast te maken ("de dag breekt aan!"). Marguerite herkent hem als de duivel. Ze gruwt van hem, duwt Faust van haar af, richt haar blik naar boven en bidt om bescherming tegen de Boze. Dan sterft ze.
De apotheose - het hoogtepunt, dramatisch en muzikaal indrukwekkend - spoort met het slot van het eerste deel van Goethe's 'Faust': Mephisto roept triomfantelijk: "Gerichtet (berecht)!" Maar een koor van engelen weerlegt vanuit de hemel; "Gerettet (gered)!!" Marguerite's ziel vaart ten hemel. Wat er daarna met Faust gebeurt, laten Barbier, Carré en Gounod over aan de operaregisseur. Omdat dit bij Goethe pas in 'Faust 2' duidelijk wordt, kiest men meestal voor een ziedende Mephisto, die Faust richting hel sleept.

De uitvoeringspraktijk

Parijs: 19.3.1859
'Faust et Marguerite' gaat - onder deze logische titel - in première: de opera onderscheidt zich immers wezenlijk van Goethe's tragedie en gaat vrijwel alleen over de liefdesrelatie tussen Faust en Marguerite. Wat de vormgeving betreft: de rol van Marguerite's broer Valentin is nog bescheiden, ballet ontbreekt en de dialogen worden niet gezongen, maar gesproken, in de stijl van de Franse 'Opéra comique' (zie ook: 'RS zingt Adolphe Adam' en 'RS zingt Daniël Auber').
De Franse opera-liefhebbers zijn in eerste instantie niet onverdeeld enthousiast. Ze vinden de opera te "Duits". Toch worden de voorstellingen goed bezocht.

Dresden: 1861
De Duitse première. In een eerste Duitse vertaling. Titel van de opera: 'Margaret(h)e'!
De nieuwe naam zet Gounod's opera op enige afstand van Goethe, maar respecteert wel haar oorspronkelijke titel.

Stuttgart: 1861
Een parodie op Gounod's opera, getiteld: 'Gretchen' zegt iets over de twijfelachtige status van de opera in Duitsland

Breslau en Wenen: 1862
In Wenen reageert de pers scherp afkeurend: zij noemt de uitvoering van 'Margarethe' "musikalisches Landesverrat" en een "Schändung Goethes (ernstige belediging van Goethe)". De Weense burgers bejubelen 'Margarethe' echter en de opera beleeft de ene volgeboekte voorstelling na de andere. Het 'Festspielhaus' wordt in de volksmond tot "Faustspielhaus" gebombardeerd.

Londen en NewYork: 1863
Gedurende dat jaar worden de gesproken dialogen vervangen door gezongen recitatieven. Behalve in de Duitstalige gebieden wordt de opera in Europa en Amerika voortaan kortweg 'Faust' genoemd. De opera fascineert nu de gehele wereld: 1864, 1865, 1866 enz.: première in Petersburg, Sidney, Mexico, Warschau, Kopenhagen, Lissabon, Batavia(!), Moskou, Konstantinopel, Kairo enz.

Parijs:1869
In Parijs is 'Faust' intussen - mede aangestoken door de wereldwijde roem - uitgegroeid tot de allergrootste operasensatie, die de stad ooit heeft gekend.
Het werk ondergaat op 3 maart 1869 een tweede première in de Parijse opera. Nieuw zijn een geprofileerder Valentin met een stevige, eigen aria (2e akte), een krijgshaftiger entourage met soldatenkoor (4e akte) en een paar glanzende balletscènes (het is heel goed denkbaar, dat de muziek daarvan is gecomponeerd door de op dat terrein ervaren componist Léo Delibes (1836-1891).

Vanaf 1875
begint in Parijs en elders Bizet's 'Carmen' de faam van Gounod's 'Faust' te overvleugelen en na de eeuwwisseling loopt de belangstelling voor 'Faust' nog
verder terug. In de jaren 60 van de vorige eeuw is - naar de mening van de Britse muziekcriticus Kenneth Fury ('Opera on Record', Hutchinson & Co 1979) - de Faust-discografie van de Duitsers spraakmakender dan die van de Fransen.
Ook heeft hij het nodige aan te merken op twee EMI-plaatprodukties van de complete 'Faust' uit de jaren vijftig.













In beide gevallen dirigeert André Cluytens en zingen beroemdheden als Victora de los Angeles, Nicolai Gedda en Boris Christoff de drie hoofdrollen. Op het eerste gezicht een veelbelovende bezetting, maar Fury mist "expressive power" ("Faust is not great literature...or subtle music drama"). Beide opnamen zijn "uninspiring". Dat komt - volgens Fury - door De los Angeles en ook Gedda, wiens dictie zo "correct" is. Verder is Christoff uitgesproken "saai" en Cluytens gewoonweg routineus.

Een onvergetelijke Faust-ervaring in het midden van de jaren zeventig
Nicolai Gedda als Faust



Tijdens een korte vakantie in Parijs komen we (mijn vrouw, een bevriend echtpaar en ik) op het idee naar de Parijse Opéra te gaan.
Staand voor het theater gaat het hart sneller kloppen, als we zien, dat 'Faust' van Gounod wordt uitgevoerd.
Nicolai Gedda is Faust, Mirella Freni Marguerite, Nicolai Ghiauroff Mephisto en Tom Krause Valentin. (Sir) Charles Mackerras dirigeert.


Mirella Freni (Marguerite)
De enscenering van de voorstelling is een genoegen:
Tom Krause (die ik toen nog niet kende) maakt direct indruk, Mirella Freni is een gevoelige Marguerite, Ghiauroff's Mephisto heeft echter merkwaardig weinig dreiging en Gedda toont zich als Faust te weinig betrokken. Zijn grote aria in het 3e bedrijf inclusief de hoge C klinkt goed, maar beklijft niet.




Intussen verheug ik mij buitengewoon op de finale van de opera: de APOTHEOSE van het laatste bedrijf met het koor der engelen (zie hierboven)! Maar als dat moment daar is, ervaar ik de afgronddiepe teleurstelling, de ijs-en-ijskoude douche, de ultieme anti-climax: het verlossende engelenkoor klinkt niet vanuit de hemel, maar - armoedig en metalig - vanaf een geluidsbandje op de Parijse techniektafel. Blijkbaar was de koor-cao erop tegen, dat er die late avond nog live gezongen werd.

Rudolf Schock zingt 'Faust et Marguerite'

Na de Parijse ontnuchtering draai ik thuis onmiddellijk de Duitstalige
'Margarethe'-LP van 1963:

Hilde Güden als Margarethe
































 
Hilde Güden (1917-1988) zingt het tegenovergestelde van een kwijnende Margarethe. Stem en voordracht getuigen van een sterke geest. Zelfs slaagt zij er op sommige momenten nog in, haar Duitse zangteksten Franse beweeglijkheid mee te geven ('Koning in Thule' en 'Juwelenaria'). Een enkele keer verliest zij daarbij iets van haar verstaanbaarheid.

De rol van Valentin, haar broer, wordt overrompelend gezongen door Hugh Beresford (1925),een Engelse heldenbariton, die tien jaar later als heldentenor (!) in Wenen en Bayreuth als Tannhäuser zou imponeren.

Hugh Beresford -
als Tannhäuser - singt Valentin
 











Gottlob Frick als Mephisto
















Gottlob Frick (1906-1994), de "zwartste aller bassen" is - figuurlijk en letterlijk - meeslepend: een baarlijke duivel met bijtende humor.

Rudolf Schock 's Faust is bijzonder expressief. Ik moet mij zo langzamerhand wel herhalen als ik nog eens Schock's uiterst zorgvuldige en volkomen natuurlijke omgang met de tekst prijs (recitatief en aria uit de 2e en samenzang met Hilde Güden uit de 3e akte !).


Rudolf Schock als Faust
































Op Schock's voortreffelijke vertolking van de Faust-aria in een radio-uitzending van 1951 kom ik nog te spreken, maar hier (om met Faust's tekst te spreken"ja, híer..") - in 1963 - hoor je de welluidende herinnering hieraan. Wat we in 1963 van Schock evenwel niet krijgen is een - echte - hoge C.
Dat vraagt om toelichting:

Kenneth Fury gaat in 'Opera on Record' (zie hierboven) uitgebreid in op de figuur van Faust in Gounod's opera: "De rol van Faust...vereist uitdrukkingskracht en duidelijke tekstoverdracht....; puurheid, charme en adembeheersing voor de aria en het duet in de tuin.... De aria is verschrikkelijk lastig. Niet zo zeer vanwege de noten, die - op de de hoge C na (een belangrijke uitzondering, sinds die C niet meer ontweken kan worden) - tot het arsenaal van elke professionele tenor moeten behoren, maar vanwege het absolute gemak, waarmee die noten - zoals Gounod het bedoelde - gevormd, met elkaar verbonden en gecontroleerd dienen te worden..... De tenor, die niet tot een lange legato-lijn in staat is.....heeft weinig kans emotioneel te overtuigen...".

Waarom men (vandaag de dag) die hoge C beslist zou moeten zingen, laat Fury in het midden. Ik geloof niet, dat hij bedoelt, dat we intussen een hogere trede van muzikale beschaving hebben bereikt. Maar denkbaar is, dat hij zinspeelt op de veeleisendheid van de hedendaagse muziekliefhebber en/of de dictatuur van media en markt.
Van Richard Tauber weet de muziekwereld, dat hij de hoge C (en B) "niet had". In o.a. de Faust-aria volstaat hij met een kort notensprongetje in de gewenste richting. Maar hij schijnt zich daar niet of nauwelijks om bekommerd te hebben: er bleef immers van zijn superieure zang voor de rest van de aria meer dan genoeg prachtigs over.
In Rudolf Schock's oudere Faust-opnamen is de hoge C er wel (het mooist in 1951). In de biografie merkt Schock op, vertellend over zijn broer Gerd: "Als men hem 's nachts wakker maakte en hem zei: "Zing eens de hoge C", kón hij het - letterlijk zo uit zijn slaap" en wat later: "Totaal tegenovergesteld aan mij. Ik moest hem eerst inzingen". Ik vind het dan ook volstrekt logisch, dat de ouder wordende en baritonaal getimbreerde Rudolf Schock na de jaren vijftig de hoge C niet meer kon brengen. De geluidstechnici van de
'Margarethe'-opname uit 1963 losten dat op door een 'geluidstransplantatie', die zelfs met een goede koptelefoon amper te horen is. De technische ingreep valt echter toch nog op door de onmogelijkheid, dat Schock na die C de woorden "voll bange Lust" direct - zonder eerst adem te halen - doorzingt. Maar net zoals bij Tauber blijft er in Schock's vertolking voor de rest van de aria meer dan genoeg prachtigs over.

Wilhelm Schüchter
Foto: Electrola-archief




















Wilhelm Schüchter dirigeert solisten, koor en orkest van de 'Deutsche Oper Berlin', dat de vonken eraf vliegen. Het stereo-geluid - restauratie en 'remastering' van 2008 door Yukio Takahashi en Andreas Torkler - is voortreffelijk (luister naar de geslaagde apotheose van de opera!!)

1963/2008:
Sony/Eurodisc brengt de 'Margarete'-opname uit 1963 uit op CD (Nr. 88697 30641 2), die inmiddels ook als download beschikbaar is.




 
De Nederlandse muziekrecensent Klaas A. Postuma is in de jaren zestig zo enthousiast over de 'Margarethe'-LP, dat hij schrijft: "Ik zou koor en orkest van de 'Deutsche Oper Berlin' zo over willen nemen voor de 'Nederlandse Opera".
 
Kenneth Fury (Opera on Record 1979) noemt de opname "certainly more communicative than the excerpt LPs that have come out of France in the sixties" en hij vindt Hilde Güden een "lovely Marguerite".

Werner Bollert (Fonoforum november 1964) stelt vast, dat Hilde Güden's stem pas in het slotgedeelte een markanter profiel krijgt. Daarvoor zingt zij - volgens hem - te veel vanuit de routine van de ervaren operazangeres. Rudolf Schock "daarentegen handhaaft constant een goed niveau, dat artistiek tevreden stemt". Gottlob Frick zet zijn "niet uitgesproken demonische, maar rijke bas" in voor de rol van Mephisto, Hugh Beresford zingt "met grote stem" en Ursula Schirrmacher (Siebel) is alleen in enkele kleine passages te horen.
Johann Telbenbacher hoort (Amazon.de: 2012) een ontroerende Margarete van Hilde Güden, een demonische Mephisto van Frick en een Rudolf Schock, die "uitstekend bij stem" is (en "moeiteloos de hoge C" zingt). Schüchter dirigeert "temperamentvol" en is een "geweldige Kapellmeister der alten Schule".
Volgens Ekkehard Pluta (Opernwelt november 2008) draagt Gottlob Frick's Mephisto het masker van de deugdzame burger. Frick's zang stelt in elk opzicht tevreden. De rijpe Hilde Güden treft de toon van het jonge Gretchen overtuigend. Beresford zingt Valentins gebed met krachtige stem en zekere hoogte. Schock's vocale uitdrukkingsvaardigheid wint het van toenemende stroefheid in het hoogste register.

1938:
Rudolf Schock speelde ooit in de opera 'Faust' de rol van Siebel (zie bovenaan). Meestal werd en wordt die rol gezongen door een mezzo-sopraan. Of door een soubrette, een lichte, lyrische sopraan als Ursula Schirrmacher in de zojuist besproken opname van 1963. Op de plaat signaleer ik als Siebel slechts een enkele keer een tenor: in 1967 de licht klinkende, lyrische en beroemde zanger Luigi Alva, die de rol van Faust's jeugdige medeminnaar zingt in een uitvoering onder Georges Prêtre met Mirella Freni als Marguerite en de zwaardere tenor Gianni Raimondi als Faust.
Leo Riemens moest niets hebben van een tenor als Siebel, maar op zich is het niet onlogisch de rol aan een (jonge)man te geven. Die keuze verlangt echter wel een rijper klinkende Faust.
In elk geval zegt het feit, dat Schock in 1938 Siebel zong, iets over de klank van zijn stem in die tijd.
 
1951:
Rudolf Schock zong op de 7e september van dat jaar voor de West Berlijnse radio Faust's aria 'Salut, demeure chaste et pure', zonder recitatief en in het Duits.

Gustav König
Gustav König (1910-2005), die van 1943 tot 1975 als Generalmusikdirektor vooral zijn stempel drukte op het muziekleven in de Duitse stad Essen en zich bijzonder inzette voor het werk van hedendaagse componisten, dirigeerde het RIAS Symphonie Orchester.





Sonia CD 74503

De opname komt o.a. voor op Sonia CD 74503 en is een perfecte produktie van het 'Fonoteam GMBH Hamburg' uit 1985.

Verder als één van de bonustracks bij de complete 'Fra Diavolo' op de Relief-cassette CR 1909 (zie ook 'RS zingt Daniel Auber'). Ook deze digitalisering is voortreffelijk.

En tenslotte in de al vaak genoemde 10CD-Box van Membran/Documents: 'Rudolf Schock, seine schönsten Lieder aus Oper, Operette und Film' (Order No 232541).
 
Ik plaats deze - ik schreef het al - voortreffelijke opname zonder aarzeling in de lange rij van grote Schockprestaties.
Kenneth Fury kon de opname in 1979 nog niet gehoord hebben, maar hij zou haar - denk ik - ten zeerste geprezen hebben. Ze heeft alles wat Fury voor een ideale uitvoering van de aria noodzakelijk acht: uitdrukkingskracht, tekstverstaanbaarheid, puurheid, charme en adembeheersing. Faust's stem klinkt tegelijk sensueel en beschaamd, vervuld van "bange Lust(angstige begeerte)" en diepe eerbied voor Margarete, voor wie het leven na haar kennismaking met hem een vreselijke wending zal nemen.
Achter Schock's voordracht van tekst en muziek is invoelbaar, wat er in het hart van deze Faust omgaat.
 
1957:
Op Emi 545-CDM 769474 2 'Rudolf Schock, Opernarien' en op Profil PH08058 (Edition Günter Hänssler) 'Rudolf Schock: Funiculi, Funicula' is Schock's 'Gegrüßt sei mir, o heil'ge Stätte' opnieuw in het Duits te horen, maar dit keer mét het recitatief:'Welch unbekannter Zauber faßt mich an'. Wilhelm Schüchter leidt de Berliner Symphoniker.

Na een pakkend recitatief zingt Schock de cavatine zelfverzekerd en met flair. In het midden van de aria accentueert hij verrassend, bijna koortsachtig "híer, ja híer..." en "voll süßer Zauber": De beschaamde Faust van 1951 presenteert zich nu als ervaren man van de wereld.


1978:
Rudolf Schock's - laatste - operarecital, getiteld 'Für meine Freunde' en met Fried Walter als dirigent (Eurodisc-LP 200 090-366), is o.a. interessant, omdat Schock alsnog doet, wat hij in een eerdere fase van zijn leven afwees (zie 'RS: zanger en vertolker'): hij zingt - naast tenoraria's - ook een paar aria's, die voor bariton zijn geschreven. Schock zegt daarover: "Dit is zelfs voor een lyrisch tenor, die altijd een goeie laagte had, tamelijk ongewoon en als de baritonpartijen op deze plaat niet 'tenoraal' klinken, maar - naar ik denk - geloofwaardig en conform het baritonvak zijn geïnterpreteerd, mag ik daar best een beetje trots op zijn".

Rudolf Schock doet er inderdaad alles aan, zijn stem in Tonio's proloog uit 'I Pagliacci', in Wolfram's 'O du mein holder Abendstern' uit 'Tannhäuser' én 'Valentins Gebet' uit 'Faust/Margarete' mooi donker in te kleuren. Het gevolg van die inspanning is echter, dat Schock's gebruikelijke vocale spontaniteit
achterblijft en zijn voordracht hier en daar eenvormig op mij overkomt. Het gebed van Valentin ("Da ich nun verlassen soll") komt er het beste af: na een ingehouden (en dreigend) begin, krijgt Rudolf Schock allengs zijn vertrouwde grip op het lied en zorgt hij naar het einde toe toch weer voor een gevoelssterke climax.

Krijn de Lege, 20.12.2012
De volgende keer: Rudolf Schock zingt LOUIS GASTON GANNE

 

Keine Kommentare: