10.11.08

RUDOLF SCHOCK ZINGT LEONARD BERNSTEIN E.A.

RUDOLF SCHOCK ZINGT MELODIEËN UIT AMERIKAANSE OPERETTES EN (FILM-)MUSICALS





New York 1886:
Onthulling v/h
Vrijheidsbeeld





Het kan voor sommige lezers een verrassing zijn geweest, dat Rudolf Schock gedurende zijn lange zangersloopbaan veelvuldig klassieke liederen zong, in oratoria, missen en zelfs 'eigentijdse' opera's van Igor Strawinsky en Alban Berg optrad. Ook is het - zeker in Nederland - nog mogelijk, dat velen niet weten, dat Schock tussen 1936 en 1963 vooral operazanger was. Het grote aantal opera-cd's met Rudolf Schock, dat vandaag de dag te bestellen is, levert hiervoor een betrouwbaar bewijs.


Desondanks bestempelt menigeen de zanger telkens weer als een zanger van operettes. Dit komt niet in de laatste plaats door de vele operette-programma's, waaraan Schock op tv en in de concertzaal in de jaren zestig en zeventig heeft meegewerkt. Bovendien zong hij ook heel wat operette in de platenstudio's en de opnamen daarvan zijn al decennia bijna onafgebroken verkrijgbaar. Bijna, want onder die opnamen zijn nog een aantal surprises. Het blijkt daardoor bijvoorbeeld mogelijk uit Schock-opnamen een opmerkelijke dubbel-CD samen te stellen, waarop hij muziek uit Amerikaanse operettes en (film-)musicals zingt. Daarmee treedt hij - mogelijk voor velen onverwacht - in de sporen van artiesten als Gordon Mac Rae, Howard Keel, Nelson Eddy, Robert Merrill, Bing Crosby en Maurice Chevalier.
De eerste drie waren baritons en musical-grootheden, Robert Merrill (ook bariton) was hoofdzakelijk operazanger en de laatste twee noem ik eenvoudigweg 'chansonniers'. Nelson Eddy zong ook opera en Robert Merrill ook musical.
De door mij al vaker geciteerde Nederlandse opera-deskundige Leo Riemens schreef begin jaren zeventig, dat de befaamde Deense helden- en Wagnertenor Lauritz Melchior (Melchior debuteerde in 1913 overigens als bariton!) in zijn nadagen musical-melodieën voor de grammofoonplaat opnam. Melchiors mix van buitenlands accent en persoonlijke zangstijl kwam Riemens weer in de herinnering, toen hij Rudolf Schock in het musical-repertoire beluisterde.


Gordon Mac Rae
en Shirley Jones
in
'OKLAHOMA'
(Rodgers)






Bij nader inzien is Schocks uitstapje naar de Amerikaanse musical eigenlijk niet vreemd. In de loop van de muziekgeschiedenis ontwikkelt zich de operette uit de opera en de musical uit de operette. En weer geldt, dat het vaak onmogelijk is te definiëren wat nu wel of niet in welk hokje past. De grenzen tussen de genres zijn vaag en de grijze overgangsgebieden groot. Bovendien buitelen allerlei criteria over elkaar heen: nu eens is de structuur van grote (in de opera) of kleine (in de operette) ensembles bepalend, dan weer de al dan niet aanwezige satire (operettes zonder satire zijn -volgens enkele muziekkenners - van geen betekenis.) Anderen oordelen op basis van inhoudelijk en/of muzikaal hoog en laag niveau en sommigen zoeken de oplossing in de wel of niet aanwezige, gesproken dialogen.

Ik krijg de indruk, dat niet zelden de tijd, waarin een muziekdramatisch werk is ontstaan, bij een latere ordening, dus achteraf, bepalend was. Bizet's (voor de hoofdrollen) rampzalig eindigende opera 'Carmen' is blijvend veroordeeld tot het hokje van de Opéra COMIQUE. Millöcker's 'Bettelstudent' slaat temidden van 'officiële' komische opera's geen slecht figuur, maar blijft een 'operette' heten. De Johann Strauss-operettes ' Der Zigeunerbaron' en vooral 'Die Fledermaus' worden in de muzikale uitvoeringspraktijk vaak tot het opera-repertoire gerekend.




'CAROUSEL'
(Rodgers)





Onuitroeibaar is de opvatting, dat operettes en musicals altijd 'vrolijk' zijn: de latere operettes van Franz Lehár zijn helemaal niet vrolijk, omdat de hoofdrollen een grote liefde moeten opgeven en eenzaam achterblijven. Sommige opera's eindigen juist weer wél vrolijk. De operettes van Jacques Offenbach mogen - wat mij betreft - komische (en satirische) opera's heten en een 'Grosse Sünderin' (operette van Künneke) zou van mij op het grote opera-toneel best verder mogen zondigen. De operettes 'Ím weissen Rössl' (Benatzky) en 'Maske in Blau' (Raymond) zijn eigenlijk 'musical comedies' en veel van het werk van Stolz, Kreuder e.a. komt in de buurt van wat je (film-)musicals zou kunnen noemen. Het lot van Verdi's Aida en haar minnaar Radames wordt er in de musical echt niet vrolijker op en hetzelfde geldt voor het verhaal van de musical over 'Miss Saigon', in wie we (uitsluitend wat de plot betreft) moeiteloos Puccini's 'Madame Butterfly' herkennen. Bernstein's beroemde musical 'West Side Story' is een moderne versie van Shakespeare's toneelstuk 'Romeo en Julia' en u weet hoe vreselijk het met die jonge mensen afloopt.
Kortom: Rudolf Schock gaat door het zingen van Amerikaanse operettes en musicals zijn boekje niet te buiten. En als we het dan toch over Schock's boekje hebben, hoop ik door het schrijven van dit feuilleton voortdurend aan te tonen, dat zijn veelzijdigheid eerder om een dik boek, dan om 'een boekje' vraagt. Realiseert u zich, dat Carl Zeller en zijn 'Vogelhändler' nog lang op zich zullen laten wachten?

VAN DE WEENSE NAAR DE AMERIKAANSE OPERETTE
Het begint allemaal met de jonge, Ierse cellist Victor Herbert (1859 - 1924), die van Dublin naar Wenen gaat, aldaar een Oostenrijkse zangeres trouwt en tenslotte met haar, zijn cello en plannen voor het schrijven van 'Weense' operettes naar New York emigreert. In 1897 oogst 'Serenade' veel waardering, gevolgd door o.a. 'Naughty Marietta' en 'The Red Mill', die natuurlijk in Nederland staat.


Vanuit Wenen komt de in Zuid-Hongarije geboren pianist en violist Sigmund Romberg (1887 - 1951), die tot de kring rond Franz Lehár behoorde en van Richard Heuberger muziektheorie-lessen kreeg. Aanvankelijk bewerkt hij een aantal Weense operettes voor de Amerikaanse markt: Walter Kollo's 'Wie einst im Mai' wordt omgewerkt tot 'Maytime'(1917) en Schubert-Bertés 'Dreimäderlhaus' tot 'Blossom Time'(1921). Maar dan verschijnt in 1924 'The Student Prince', een eigen operette-bewerking van het studentenstuk 'Alt-Heidelberg' van Meyer-Förster, waaruit een dynamisch drinklied later tot een wereldsucces van de tenor Mario Lanza zou worden. In 1926 wordt de twee jaar durende zegetocht van de studentenprins weer overstemd door een nieuwe succes-operette van Romberg: 'The Desert Song'. 'Het lied van de woestijn' is gesitueerd in het Marokkaanse Rifgebergte en op muziek gezet naar een libretto van Oscar Hammerstein de Tweede (1895 - 1960).

Rudolf Friml
Richard Romberg









 
Oscar Hammerstein de Eerste (1848 - 1919, geboren in Stettin en grootvader van Hammerstein de Tweede) schrijft de teksten voor een andere beroemde operette, die in 1924 in premiere gaat en gecomponeerd is door een derde grootheid uit de Amerikaanse operette-wereld: Rudolf Friml (1879 - 1972). Deze pianist uit Praag componeert eerst (piano-)concerten, maar werpt zich vervolgens op het schrijven van operettes naar 'hartstochtelijke boeken'. En zo ontstaat o.a. 'Rose Marie' van Friml/Hammerstein I, een verhaal over liefde en doodslag in de Canadese bergen en met songs, die tot het wereldrepertoire zijn gaan behoren ('Oh, Rose Marie, I love you' en 'Indian Love Call').
 
VAN OPERETTE NAAR (FILM-)MUSICAL
Woestijnzand in Marokko, romantiek in Canada, studentenlief- en leed in het Europese Heidelberg maken dan plaats voor de Amerikaanse werkelijkheid en het rijke muziekidioom van de jazz vergroot de uitdrukkingsmogelijkheden van nieuwe componisten als Jerome Kern (1885 - 1945), Irving Berlin (1888 - 1989) en George Gershwin (1898 - 1937).
Om het Amerikaanse muziekdrama literair op een hoger plan te brengen, melden zich jonge, veelbelovende schrijvers. Naast de meer pretentieloze 'musical comedies', die in de Europese muziektradities wortelen, bloeien in de nieuwe wereld 'musical plays' op, realististische drama's zonder sentimentaliteit. Bernhard Grun stelt in zijn enthousiast geschreven 'Cultuurgeschiedenis van de Operette', dat zich uit de 'musical plays' "de definitieve vorm van de operette" ontwikkelt.
Israel Baline, geboren in Siberië, vlucht op 4-jarige leeftijd, samen met zijn ouders en zeven broertjes en zusjes net op tijd voor de Kozakken, die de jodenwijk, waarin zij leven, in brand steken en de bewoners vermoorden. Hun vluchtbestemming is New York, alwaar Israel Baline, die nu Irving Berlin heet, in 1921 zijn eerste wereldhit componeert: 'Alexander's Ragtime Band'. Andere enorme successen volgen: de songs 'God Bless America', 'Remember', 'Always' en 'Easterparade', de muzikale show 'This is the Army' en hét schoolvoorbeeld van de musical comedy 'Annie get your Gun' met de superhit 'There's no business like show business!' (1147 voorstellingen en suite en dat alleen al op Broadway). In 1942 zingt Bing Crosby in de film 'Holiday Inn' Berlin's 'I'm dreaming of a White Christmas'.

Het is 1927, als Jerome Kern de beslissende stap zet naar 'the musical play'. Hij maakt de muziek voor 'Showboat', gebaseerd op een gelijknamige roman van Edna Ferber. Oscar Hammerstein de Tweede (1895 - 1960) schrijft de teksten. 'Showboat' gaat over gewone mensen op een varend theater. De rivier, waarop de boot vaart, is de Mississippi, die zowel in de premiere op Broadway als in de premiere in Londen door de negerzanger Paul Robeson bezongen wordt ('Ol'man river').








De autodidact George Gershwin boekt in 1919 zijn eerste (platen)succes met 'Swanee' (gezongen door Al Jolson, over wie straks meer). Ruim twee miljoen platen van Gershwin's (én Jolson's) 'Swanee' gaan over de toonbank. Gershwin's topjaar wordt 1924, als hij zijn 'Rhapsody in Blue' presenteert. Daarna maken o.a. de shows 'Funny Face', 'Strike up the Band' en een satire over de regering in Washington: 'Of Thee I Sing' hem over de gehele wereld beroemd. In 1928 bedenkt hij tijdens een treinreis zijn 'symfonisch gedicht' 'An American in Paris', dat aandoet als een 'Lost in Translation' van de 20e eeuw. 'Lost in Translation' is de Oscar-film uit 2003 met Bill Murray en Scarlett Johansson, waarin een Amerikaan (Murray) voor (commerciële) doeleinden eenzaam en vol heimwee in een chaotisch Tokio verblijft. Voor de 'American' van Gershwin is Parijs al ver genoeg, maar net zo chaotisch. Ook hij voelt zich eenzaam, heeft soms plezier, maar vooral heimwee en door zijn hoofd spookt voortdurend die weemoedige melodie, die we ook kennen uit Gershwin's allerberoemdste 'musical play/opera' 'Porgy and Bess' (1935): 'There's a Boat dat's Leavin' Soon for New York'.
 
In het jaar 1928 gaat ook de film 'The singing Fool' in premiere met de zogenaamde 'negerzanger' Al Jolson als 'de zingende dwaas'.


poster
Al Jolson











 
Al Jolson (1886 - 1950) is op dat moment een heel grote ster door zijn filmrol van een jaar eerder in 'The Jazz Singer'. Deze film (met muziek van Irving Berlin) gaat als allereerste geluidsfilm de geschiedenis in.
In 'The singing Fool' wordt Jolson verlaten door zijn vrouw, die hun 3-jarig zoontje ('Sonny Boy') meeneemt. De achterblijvende zanger zingt een smartelijke foxtrot, die - hoe sentimenteel ook - de toeschouwer overweldigt. De muziek van dit hartverscheurende 'Sonny Boy' is geschreven door Lew Brown en Ray Henderson en de woorden zijn van Buddy G. DeSylva. Al Jolson staat er echter op, dat aan de namen van dit drietal de naam Jolson wordt toegevoegd. Ik vermoed, dat Paul Abraham Al Jolson voor ogen moet hebben gehad, toen hij in zijn operette 'Die Blume von Hawaii' (1931) 'de (echte) negerzanger Jim Boy' met de song 'Bin nur ein Jonny' ten tonele voerde.
 
HET ENE SUCCES NA HET ANDERE!
De zegetocht van de musical wordt vervolgd:












 
De componist Richard Rodgers (1902 - 1979) werkt eerst samen met textdichter Lorenz Hart (o.a. 'Pal Joey' 1941 en het lied 'With a song in my heart'). Hart wordt ziek en overlijdt. Rodgers zoekt contact met de tekstdichter van 'Showboat' Oscar Hammerstein de Tweede. Het ene succes volgt nu na het andere: in 1943 verschijnt de 'musical-play' 'Oklahoma' met o.a. 'People will say, we're in love', in 1945 'Carousel' met o.a. 'You'll never walk alone', in 1949 'South Pacific', in 1951 'The King and I ', in 1957 'Flower Drum Song' en in 1959 'The Sound of Music'.
 
Het componisten- en tekstschrijfduo Robert Wright (1914 - 2005) en George Forrest (1915 - 1999 ) hebben veel succes met 'Song of Norway'(1944), waarvoor zij overigens de muziek van Edvard Grieg 'lenen'.
 
Cole Porter (1891 - 1964) maakt zijn eigen muziek én zijn eigen teksten: in 1932 schrijft hij voor Fred Astaire de musical 'The Gay Divorce' (met het sfeervolle 'Night and Day'), in 1934 'Anything Goes', in 1939 'Dubarry was a Lady', in 1946 'Around the World' en in 1948 zijn meesterwerk naar Shakespeare 'Kiss me, Kate'. 'Can-can', 'Silk Stockings' en de filmmusical 'High Society' zouden nog volgen. In 'High Society'(1957) spelen Bing Crosby, Grace Kelly en de jazz-trompettist Louis Armstrong. Het aardige duetje 'True Love' van Crosby en Kelly wordt een evergreen.
 
Componist Frederick Loewe (1901 - 1988) vormt met tekstschrijver Alan Jay Lerner (1918 - 1986) ook een belangwekkend duo, dat in 1947 succes heeft met de Schotse sprookjes-musical 'Brigadoon'. Loewe wordt in Berlijn geboren en treedt al op 13-jarige leeftijd als pianist op samen met de Berliner Philharmoniker, Muzieklessen krijgt hij van Busoni, Von Reznicek en d'Albert. In 1924 emigreert hij naar de VS. Aanvankelijk vinden Amerikaanse muziekproducenten hem 'te Weens'. Tot hij Alan Jay Lerner ontmoet en met deze gaat samenwerken. 'Brigadoon' wordt uitgeroepen tot het 'Beste Musical-Drama van 1947'. In 1951 volgt eerst 'Paint your Wagon' en dan - in 1956 - de musical, die als een bom op Broadway inslaat: 'My Fair Lady', naar Bernard Shaws 'Pygmalion'. In resp. 1958 en 1960 gaan tenslotte nog 'Gigi' (als film-musical) en 'Camelot' in premiere. Daarna componeert Frederick Loewe niets meer. Met de naar de film uit 1958 gemaakte musical 'Gigi' (1974) wil hij zich niet meer bemoeien. Lerners pogingen hem daartoe over te halen mislukken.
 
Het succesverhaal van de musical duurt tot aan de dag van vandaag. Steeds weer worden er werken geschreven, die zich als wereldsucces ontpoppen: 'Oliver' van Lionel Bart, 'Cabaret' van John Kander, 'Cats' enz. van Andrew Lloyd Webber enz., enz. Maar wacht: laat ik 'West Side Story' uit 1957 niet vergeten!
 
Dirigent, pianist én componist LEONARD BERNSTEIN (1918-1990) valt in1943 halsoverkop in voor Bruno Walter als dirigent van de New York Philharmonic. Zijn succes is enorm. Publiek en pers jubelen. Bernstein is op slag een ster en concerten met Bernstein in het vervolg altijd een feest! Hij accepteert geen verschil tussen 'serieuze' en 'lichte' muziek. Goede of slechte muziek: that's the question. In 1944 componeert Bernstein balletmuziek voor choreograaf Jerome Robbins en dirigeert deze zelf. In het zelfde jaar verschijnt zijn eerste musical 'On the Town'. Balletmuziek blijft een centrale plaats innemen in zijn muzikale activiteiten. In 1956 gaat de 'musical play' Candide in premiere. Ook treedt hij op als concertpianist en vanaf de pianokruk leidt hij het orkest. Op de televisie geeft hij concerten voor 'jonge mensen'. De uitleg daarbij verzorgt hij zelf. In 1957 gaat 'West Side Story' in premiere. De choreografie van de grootse balletten in deze musical wordt door Jerome Robbins uitgeschreven en ingestudeerd. Het libretto is van Arthur Laurents en de songteksten van Stephen Sondheim (wordt door de zoon van Oscar Hammerstein de Tweede met Bernstein in contact gebracht. Later zou Sondheim met de musical 'Sweenie Todd" (1979) en het lied 'Send in the Clowns' ook als componist bekend worden). In 1989 dirigeert Leonard Bernstein in Berlijn ter gelegenheid van de val van de Muur de 'Negende' van Beethoven. Hij verandert het Schiller-opschrift 'Ode an die Freude' in 'Ode an die Freiheit'.

De 'musical play' 'WEST SIDE STORY' verplaatst de handeling van Shakespeare's 'Romeo en Julia' naar het New York van 1957. De twee families, die elkaar naar het leven staan, vormt de librettist om tot twee gangs: de 'Jets' (blanke Amerikanen) en de 'Sharks' (Puertoricanen). Tony is Amerikaans en Maria Puertoricaans. De handeling loopt parallel aan die van Shakespeare. Bijvoorbeeld de beroemde balkonscene uit 'Romeo en Julia' is in 'West Side Story' een scene op en onder een brandtrap.
 
RUDOLF SCHOCK ZINGT LEONARD BERNSTEIN E.A.
Zoals ik in het begin van deze bijdrage al schreef, is er rond Rudolf Schock een dubbel-CD samen te stellen, die tegelijk als auditieve illustratie kan dienen voor de ontwikkelingsgeschiedenis van 'The American Musical-Drama':
 
RUDOLF SCHOCK




SINGT AUS AMERIKANISCHEN
OPERETTEN & (FILM-)MUSICALS
von
Romberg, Friml, Berlin, Kern, Porter
Brown/Henderson, Wright/Forrest
Rodgers, Loewe und Bernstein

EXTRA:
Leonard Bernstein dirigiert Gershwin
met de volgende tracks:







Omdat alleskunner Leonard Bernstein in deze Schock-compilatie alleen als componist vertegenwoordigd is, leek het mij passend hem als George Gershwin-dirigent (én als pianist in 'Rhapsody in Blue') extra toe te voegen. Gershwin's muziek spat haast letterlijk uit de groeven. Het is één en al vuurwerk en ik vraag me af, waarom ik die oude 25 CM-LP niet eerder op CD heb gezet.
Meerdere keren is de kosmopolitische sopraan Anna Moffo (1933 - 2007) te horen, die in de vroege lente van 1971 met de intussen van een hartaanval herstelde Rudolf Schock een LP met Duitstalige operette en een LP (Eurodisc 85 110 TE) met muziek uit Amerikaanse operettes en musicals opneemt. Eén van Schock's vaste dirigenten Werner Eisbrenner (1908 - 1981) dirigeert de Berliner Symphoniker in de Moffo/Schock-duetten.
 

Het duet met de sopraan Erika Köth uit 'Carousel' van Rodgers/Hammerstein de Tweede ('Tausend Sterne' oftewel 'If I Loved You') werd mij door Schockspecialist Ludwig Stumpff toegestuurd, waarvoor ook vanaf hier duizendmaal dank! Dit duet was in de jaren zestig en in 2003 als verzoeknummer op de Duitse televisie te horen.

De oudste opnamen uit 'Rose Marie' en van 'Heimweh' zijn op CD verkrijgbaar (Membran-Documents Order Nr. 224062).
 De nieuwere opnamen + 'Sonny Boy' stonden op LP's met de nummers Eurodisc 88 957 OE ('Rose Marie') en Eurodisc 88 955 OE ('Heimweh' en 'Sonny Boy').
 
Een aardige wetenswaardigheid is de herkomst van het lied 'Ich erinnere mich gern'. Het is één van de laatste grammofoonplaat-opnamen van Rudolf Schock en wordt gezongen als een soort autobiografische inleiding op een grote TV-show, waarin de terugblikkende zanger zélf centraal staat (ZDF 1983). De show heeft dan ook als titel: 'Ich erinnere mich gern'. De melodie van dit lied is gecomponeerd door Frederick Loewe en komt uit zijn film-musical 'Gigi' uit 1958. In die musical spelen en zingen de jonge fimactrice Leslie Caron en de befaamde, oudere acteur en charmeur Maurice Chevalier (zie foto). Het is Chevalier, die het lied 'I remember it well' (in duet met een bejaarde dame) zingt (of beter: 'op noten spreekt'). In 1983 wordt Lerner's tekst herschreven en op Schock's zangersloopbaan toegespitst. Nog in 1983 verschijnt vervolgens een LP met opnamen uit de show, waaronder Schock's 'Ich erinnere mich gern' (Ariola 205 636 - 366). Het is verleidelijk aan te nemen, dat het idee om van het Chevalier-lied een Schock-lied te maken op minstens twee feiten berust: 1) Op blz. 6 van de kleine Schock-biografie, die Friedrich Herzfeld in 1962 publiceert (zie mijn tekst 'Rudolf Schock in allerlei literatuur') schrijft Herzfeld, dat Rudolf Schock met trots over zijn ouderlijk huis spreekt en dat hij in dat opzicht "lijkt op Maurice Chevalier, met wie hij nóg wel enkele karaktertrekken gemeen heeft" en 2) Op blz. 340 van Schock's grote biografie (1985) citeert Schock een zin uit een kritiek van de New York Times naar aanleiding van een concertante uitvoering van 'Die Lustige Witwe' in de Carnegie Hall. De krant schrijft: "Rudolf Schock heeft als Danilo de charme van een Maurice Chevalier". Schock voegt hier echter aan toe, dat hij zich vereerd voelt, maar dat hij zichzelf nooit zo gezien heeft. Het kan dus heel goed zijn, dat hier sprake is van een toevallige samenloop van omstandigheden en dat ik er helemaal naast zit.












DE OPNAMEN VAN AMERIKAANSE SUCCESSEN
stammen uit verschillende perioden van Schock's loopbaan. De 'Serenade' (Romberg) van eind 1978 onder Fried Walter (1909 - 1996) klinkt vocaal natuurlijk niet zo betoverend mooi als de beide 'Rose-Marie'-songs uit 1950. Maar die opname uit 1978 heeft momenten, waarop Schock je toch raakt. Dat gebeurt ook in 'Maria!' uit 'West Side Story' (1971). Met alle gevoel voor drama, dat hij rijk is, werpt hij zich in Tony's lied en schept daarmee de grote emotie van waaruit zich het daarop volgende brandtrap-duet ontwikkelt (zie hierboven). Anna Moffo's stem kleurt warm en donker. Het is een extra attractie, dat Moffo en Schock de Amerikaanse operette- en musicalscenes in het Engels zingen. Schock toont zich in de duetten uiterst geconcentreerd en de baritonale klank van zijn stem leent zich ideaal voor het genre. Bovendien krijgt een simpele melodie als 'True Love' met zulke stemmen een bedwelmende facelift.
Behalve 'Maria' zingt Schock alle soli in het Duits, waarbij ik er wel aan herinner, dat Schock in 1949 behalve van Irving Berlin's 'Heimweh' ook de oorspronkelijk Amerikaanse versie 'Always' opnam. Die opname werd in 2012 op CD voor het eerst uitgebracht. Maar ook in het Duits vind ik 'Heimweh' een indrukwekkend lied en zeker op de doorleefde, niet-sentimentele manier, waarop Schock het zingt. In 1966 is zijn voordracht zelfs nog doordachter geworden. Hij hanteert in zulke liederen (chansons enz.) een voor zichzelf sprekend sentiment, waarmee hij ook in de 'bijna-smartlap' 'Sonny Boy' de luisteraar overtuigt. Hij barst niet uit à la Jolson, maar laat in alle eenvoud horen, dat de tenor Rudolf Schock voor zo'n lied een minstens zo gedreven vertolker is.
Krijn de Lege, 2008/2014
(In december hoop ik o.a. 'Rudolf Schock op CD' te actualiseren en in 2009 vervolg ik de componistenreeks met Berté/SCHUBERT.)

Kommentare:

Anonym hat gesagt…

Bedankt voor een interessante blog

Krijn de Lege hat gesagt…

Beste Anonym,

Helemaal tot uw dienst!
Met hartelijke groet, Krijn de Lege

Anonym hat gesagt…

Bedankt voor de geweldige informatie! Ik zou dit niet anders hebben ontdekt!

Krijn de Lege hat gesagt…

Beste Anonym,
Graag tot uw dienst.
Met hartelijke groet uit Rotterdam, Krijn de Lege