15.02.08

RUDOLF SCHOCK ZINGT DANIËL AUBER










DANIËL FRANÇOIS ESPRIT AUBER (1782-1871)

Toen ik Adolphe Adam en zijn opéra-comique 'Si j'étais Roi (Wenn ich König wär')' met Rudolf Schock als verwarde visser, die een prinses wilde vangen, centraal stelde, begon ik met een beetje muziekgeschiedenis. Dat doe ik u niet opnieuw aan, maar wel maak ik u er nog eens op attent, dat in de (vrolijke) opéra-comique gesproken dialogen de plaats van de gezongen recitatieven innemen.
Begrijpelijk is, dat die dialogen-zonder-muziek van een behoorlijke kwaliteit moeten zijn. Ze moeten in dit soort opera's vooral geestig zijn en 'lekker lopen'. De muziek staakt immers en dat betekent, dat je tekstschrijvers nodig hebt met een goed ontwikkeld theatergevoel. De Franse componist Daniël François Esprit Auber had gelukkig zo'n tekstschrijver: Eugène Scribe (1791-1861), een veelzijdig toneelauteur, die voor het muziektheater van enorme betekenis is geweest. Scribe was niet alleen in staat typisch komische opera's (zoals 'Fra Diavolo') van een uitstekend tekstboek te voorzien, maar ook grote, thematisch historische opera's van Meyerbeer ('Les Huguenots', 'L'Africaine enz.), Halévy ('La Juive' e.a.), Verdi ('I Vespri Siciliani') en Rossini ('Le Comte Ory').
Zijn libretto voor Aubers nu vergeten opera 'Le Philtre' stond model voor 'L'Elisir d'Amore' (1832) van Gaetano Donizetti en het frappante is, dat ik (nog in onwetendheid over het feit dat Auber en Donizetti tijdgenoten waren) bij het nog eens luisteren naar de uiterst virtuoze ensembles uit Aubers 'Fra Diavolo' (1830!) plotseling aan die populaire Donizetti-opera moest denken. De tijdgeest speelt altijd weer een hoofdrol, maar het is wel goed, hier en nu vast te stellen, dat Aubers 'Fra Diavolo' twee jaar eerder in première ging.
Aubers opera's zijn (misschien?) voor een deel door de tijd ingehaald, maar 'Fra Diavolo' en het totaal andersoortige 'La Muette de Portici' zijn opera's, die een vaste plaats op het operatoneel verdienen.
In 'Elseviers Groot Operaboek' (1e oplage 1959) van Leo Riemens merkt deze op, dat alom Rossini's 'Willem Tell' (1829) als de allereerste grote historische opera wordt beschouwd. De 'kleine' componist Daniël Auber schreef echter - benadrukt Riemens - een jaar eerder, dus al in 1828 op tekst van Eugène Scribe, de monumentale 'Grande Opéra' 'La Muette de Portici' over de opstand in 1647 van de Napolitanen tegen de Spaanse bezettingsmacht. Dit werk werd door het Parijse operapubliek op de dag van de première (28-2-1830) met groot enthousiasme ontvangen en maakte van Daniël Auber op slag een Europese beroemdheid.
Op 25 augustus van dat zelfde jaar was in Brussel, tijdens de uitvoering van deze opera in het 'Théâtre de la Monnaie' een gespierd duet ('Amour sacré de la patrie') zelfs de aanleiding voor het uitbreken van een volksopstand, die ertoe leidde, dat België onafhankelijk werd van Nederland.
Richard Wagner bewonderde 'La Muette de Portici' buitengewoon vanwege de gebalde energie van de muziek.
 
De bescheiden Franse patriot Auber zelf leidde een strikt burgerlijk leven, reisde zelden, want waarom zou hij dat doen? De tekstboeken van collega Scribe hadden hem toch al door de hele wereld geleid? En verder wilde hij een breed publiek 'alleen maar een beetje amuseren'. Zijn leerling Ambroise Thomas (componist van 'Mignon') verzorgde hem, toen hij na een lang leven ernstig ziek werd en Alexander Dumas Jr. zei aan het graf: "....Hoe vaak zorgde deze tovenaar ervoor, dat wij onze zorgen konden uitstellen tot de volgende dag en als die dag kwam, waren we ze vergeten."

FRA DIAVOLO
'De broer van de duivel' heeft echt bestaan. Hij heette Michele Pezza, was oorspronkelijk een monnik, die zich Fra Angelo ('broer van de engel') liet noemen, maar groeide later uit tot de gevreesde rebellenleider Fra Diavolo. Hij voerde met succes een soort guerilla-oorlog tegen het overheersende Franse leger, maar werd tenslotte in 1806 op 46-jarige leeftijd in Napels opgehangen.
Scribes opera-script verbindt handig (en depolitiserend) de humor van een blijspel met de romantiek van het roversbestaan (de 'Robin Hood-touch': zij - in deze plot de Romeinse soldaten - zijn slim en met velen, wij - de bende van Fra Diavolo - zijn met weinigen, maar slimmer en we beroven - meestal - geen onschuldige meisjes en monniken). De executie van de echte Fra Diavolo wordt in eerste instantie vervangen door een gewone arrestatie, want in een komische opera kan (en moet) een boef door de uiteindelijk toch slimmere en sympathieke Romeinen (!) wel gevangen, maar niet gedood worden. In latere uitvoeringen durft men het aan de roverhoofdman in het gevecht dood te laten schieten, waarna hij in een ravijn stort.

De opera werd in Duitsland en Italië in de loop der jaren eigenlijk populairder dan in Frankrijk. Tito Schipa en Benjamino Gigli zongen de Markies van San Marco, alias Fra Diavolo. Ook werd het verhaal een paar keer verfilmd. Plezierige herinneringen heb ik aan de hilarische 'Fra Diavolo (The Devils Brother)' uit 1933 van regisseur Hal Roach met Stan Laurel en Oliver Hardy als Beppo en Giacomo, de onhandige handlangers van de markies en opperboef (gespeeld door Dennis King). Aubers tintelend-ironische muziek is in deze film, die als één van de beste, grotere speelfilms van Laurel & Hardy wordt gezien, gelukkig niet vergeten!
Dennis King
(Markies)
Laurel & Hardy
(Giacomo &
Beppo)


DE MUZIEK
Van de ensembles zei ik al, dat ze uiterst virtuoos zijn. Het zijn ware spektakels, waarin woord en muziek met elkaar in balans zijn en de toneelhandeling door Aubers muziek energiek wordt voortgestuwd. Datzelfde geldt ook voor de finales van de 3 akten, die de geluidsboxen uitbruisen. De solo's van Fra Diavolo en Zerline hebben humor en bravoure.
DE FRA DIAVOLO-OPNAMEN MET RUDOLF SCHOCK:
 

LP-cover (1980):
(Lipp
Schock
Pease en
Schüchter)















1954: Studio-opname (Relief CD 1909 en Walhall WLCD 0138) met Wilma Lipp (Zerline), James Pease (Lord Kookburn), Ursula Zollenkopf (Lady Pamela), Ernst August Steinhoff (Lorenzo), Kurt Marschner (Beppo), Karl Otto (Giacomo), Sigmund Roth u.a. und WILHELM SCHÜCHTER (Dir.)
 
De geluidsopname was bestemd voor een TV-registratie (van NDR/ARD Hamburg), die op 22 oktober 1954 werd uitgezonden. Deze registratie was de tweede televisie-opera, die in Duitsland geproduceerd werd (De eerste was een half jaar daarvoor Mascagni's 'Cavalleria Rusticana' eveneens met Schüchter en Schock).

De Duitse teksten waren van Karlheinz Gutheim en de (dialoog)regie had Herbert Junkers. De opnamen vonden plaats in de zo genoemde 'Fernsehbunker am Gasellenkamp' in Hamburg. Mw. Gisela Schock herinnert zich - en dat zegt wel iets over de levens- en werkomstandigheden in het eerste decennium na de oorlog - dat het gezin Schock op die 22e oktober 1954 nog niet over een tv-toestel beschikte en de uitzending bij vrienden moest bekijken.
In de loop van de jaren vijftig werd 'Fra Diavolo' ook door de radio uitgezonden en in 1980 bracht Eurodisc een lp-cassette van de opera uit ter gelegenheid van de 65e verjaardag van haar ster-zanger Rudolf Schock.
 
In 2004 produceerde het Zwitserse label RELIEF een eerste (luxe-) CD-editie (+ zeven extra bonustracks met Rudolf Schock in andere Franse opera's) en daarna volgde nog meer publicaties, waaronder een soberder uitgevoerde CD-versie van Walhall Eternity Series.












De oorspronkelijke opera duurt in het theater ca 150 minuten. De 1954-versie met Schock ca 95 minuten. Muzikaal is er niet veel geschrapt, maar in de (blijspel-)teksten van Scribe is danig huisgehouden. En dan klopt het gevoel, dat het geheel wat uit balans is geraakt. Scribe en Auber wisten wat ze deden om 'de mensen een beetje te amuseren'. Maar de bewerkers van de tv-uitvoering waren (toen al!) bang, dat het allemaal te lang zou gaan duren en dat is nu helaas te merken.
Verder is opmerkelijk, dat Fra Diavolo aan het eind van de opera MAG ONTSNAPPEN, waarna hij vanuit de bergen het leeuwendeel van het slotlied mag zingen.
Ik kan mij niet onttrekken aan de gedachte, dat alleen het feit, dat 'Fra Diavolo' een komische opera is, de reden hiervan was. Heel goed mogelijk kan de sterrenstatus van Schock in 1954 hierbij een rol gespeeld hebben. De stralende, levenslustige Rudolf Schock kan je in een tv-film toch niet dood laten gaan?

DE SOLISTEN

(Foto Archiv Ludwig Stumpff)
 

















Rudolf Schock is ook nu grandioos. Niet in de rol van dromerige visser of naïeve herder, maar als koele, onverschillige roverhoofdman. Het onbetrouwbare en wrede van diens karakter is niet mis te verstaan. Dit moet ook de bedoeling geweest zijn van Auber en Scribe: dat deze schurk van een Fra Diavolo in zijn hooghartige strijd met de jeugdige en verliefde officier Lorenzo het onderspit delft, is nu juist het blije einde van de opera. In de eerste Duitse vertaling van Scribes tijdgenoot Karl Ludwig Blum (1786-1844) eindigt de opera dan ook met het - vanzelfsprekend op de rovers na - door iedereen gezongen:
"Diavolo! Viktoria! De rover viel door onze hand! Ha, wat een geluk voor dit land, want zie, hij viel door onze hand!"
Als de Markies/Fra Diavolo zich smachtend romantisch met mandoline manifesteert aan de in het liefdesleven teleurgestelde Lady Pamela en tegelijkertijd haar wereldvreemde en slaperige echtgenoot zogenaamd slechts musicerend een rad voor ogen draait (1e akte, nr. 5: Trio 'Der treue Gondoliere...'), druipt in zijn alles en iedereen verleidende zang de ironie en het sarcasme ervan af.

In Fra Diavolo's met passie gezongen en geacteerde, grote bravoure-aria + recitatief 'Dieser Plan ist mißlungen' aan het begin van de 3e en laatste akte laat deze geen twijfel bestaan aan zijn opportunistische dadendrang.
Schocks affectie met de Italiaanse zangstijl komt expressief én explosief tot uitdrukking in de 2e akte nr. 9: de barcarole 'Dorina, süsse Kleine...'. Vooral door deze barcarole krijg ik de indruk, dat Schocks geleidelijke overgang van een lossere en lichtere zangstijl (2e helft jaren veertig en eerste jaren vijftig) naar een overwegend baritonale, warme en gloeiende stemkleur zich eind 1954 definitief lijkt te hebben voltrokken. Vandaar, dat hij in de jaren daarna op de grammofoonplaat in aanmerking komt voor meer 'heldische' rollen als Walther von Stolzing ('Meistersinger von Nürnberg'), Max ('Freischütz'), Radames ('Aida') en zelfs (fragmentarisch) Otello in Verdi's gelijknamige opera.
Karl Löbl en Robert Werba zeggen in Hermes Handlexikon 'Opern auf Schallplatten' (1e oplage 1983) over Schocks Fra Diavolo, dat hij (evenals Wilma Lipp) met humor speelt en welluidend zingt. Andreas Laska ('Musique Critique' 2007) vindt deze opname ondanks tekstcoupures en niet-Franse tekst beslist een Duitse omweg waard is. In het bijzonder vanwege Rudolf Schock, die "een sluwe en geestige Fra Diavolo neerzet en de talrijke vocale horden van de rol probleemloos neemt met inbegrip van hoge C en vocalises".
 
De op het moment van de opname 29-jarige Wilma Lipp (1925) klinkt hartveroverend jong en bekoorlijk. (Andreas Laska: "Wilma Lipp zingt fris en helder. Haar Zerline schittert".) Al in 1948 was Lipp een fenomenale 'Koningin van de Nacht' in de 'Zauberflöte', waarna ze deze rol over de gehele wereld tot diep in de jaren vijftig bleef zingen. Later specialiseerde zij zich in de meer lyrische sopraanpartijen zoals Konstanze in de 'Entführung aus dem Serail' Eva in de 'Meistersinger' en Rosalinde in de 'Fledermaus'.

De Amerikaanse bariton James Pease (1916-1967) komt in 1948 naar Europa. Vanaf 1952 zingt hij aan de Hamburgse Staatsopera (uit die periode stamt dus zijn deelname aan deze Fra Diavolo) en elders in Europa. Ook wordt hij veelvuldig gevraagd voor gastoptredens in zijn vaderland. Tijdens een oversteek per schip naar Noord-Amerika overlijdt hij.
James Pease is voor een Fra Diavolo-opname ideaal, omdat het Engelse accent van Lord Cookburn met zijn landsaard samenvalt. Bovendien zingt hij met mooie, diepe stem en goed gespeelde domheid. (Laska: "Hij is een lachwekkende Lord en dat hoort ook zo!").
Ursula Zollenkopf is in de loop van de jaren na de 2e Wereldoorlog vooral in Noordduitsland bekend geworden als concertalt. Daarnaast zong zij in enkele radio-uitvoeringen van opera's (o.a. in 'Josef in Egypte' van Méhul, waarin zij volgens een kritiek opvallend goed de rol van Benjamin zingt). Verder kwam ik nog Beethovens Negende tegen onder Franz Konwitschny en de mededeling, dat Mw. Zollenkopf liederen van haar man uitvoerde en dat zij in de jaren 50 overleed.
Als Lady Pamela vormt Zollenkopf met Pease een perfect komisch Engels koppel. Ze acteert en zingt haar rol op een manier, die in de verste verte niet met het zingen in oratoria kan worden geassocieerd.

Kurt Marschner (1913-1984) en Karl Otto (1904) zingen de rollen van resp. Stan Laurel (Beppo) en Oliver Hardy (Giacomo). Marschner is een karakter-buffotenor met een volmaakt falset. Als hij op schaamteloze wijze Zerline imiteert, hoor je werkelijk een vrouwenstem. Het tekstboekje geeft echter onverbiddelijk aan: dit is geen Zerline en ook geen Lady Pamela, maar gewoon Beppo! 
Marschner was een coryfee van de Hamburgse Staatsopera tot hij - na 4000-maal (!) in Hamburg op het toneel te hebben gestaan - in 1978 met pensioen ging.

v.l.n.r.: Karl Otto als Giacomo/Fritz Göllnitz in
de film als Beppo i.p.v. Kurt Marschner/Rudolf
Schock als Markies.
 (foto archief Ludwig Stumpff)


 


















Ernst August Steinhoff (1917-1998) was gedurende zijn zangersloopbaan vooral te horen in allerlei lyrische tenorpartijen in het operatheater van Zürich. Daarnaast was hij actief in oratoria en maakte hij opnamen van het modernere muziekrepertoire (Liebermann, Martinu, Rihm e.a.).
Lorenzo is 'the good guy' in de opera in tegenstelling tot 'bad guy' Fra Diavolo. Hij houdt van Zerline en krijgt haar ook aan het eind van de opera. Steinhoff's stem heeft een gemakkelijke hoogte, maar klinkt in het middenregister onbeheerst (Andreas Laska prijst echter zijn 'voix mixte' en vindt, dat hij Lorenzo "très charmant" zingt). Zijn 'romance' aan het eind van de opera ('Ewig will ich dir gehören!') wordt snel en nogal uitdrukkingsloos gezongen .

Schocks lijfdirigent van vooral de jaren vijftig, Wilhelm Schüchter (1912-1974), dirigeert het radio-orkest van de NDR Hamburg. Andreas Laska wijst in zijn Franstalige kritiek op de grote veelzijdigheid van de dirigent en op het élan, waarmee deze het orkest leidt. De Duitstalige critici Löbl und Werba (zie ook hiervoor) vinden daarentegen de orkestdirectie nogal "Duits".
 
1968: Studio-opname: 'Ewig will ich dir gehören' 'Romanze' van Lorenzo uit de 3e akte van 'Fra Diavolo' (Eurodisc) met WERNER EISBRENNER (Dir.)

Deze opname komt voor op een Eurodisc-LP, waarop Rudolf Schock opera- en operette-successen van Richard Tauber zingt. Kort daarna staat deze aria van Lorenzo ook op een andere Schock-LP met aria's uit Franse opera's.

Schock is op het moment van de opname (Januari 1968) heel goed bij stem. De los van de operahandeling opgenomen aria blijkt een voordracht met inlevingsvermogen in het geheel niet in de weg te staan. Als ik Schocks versie met die van Steinhoff uit 1954 vergelijk, dan vallen twee dingen op: De aria duurt bij Rudolf Schock bijna een volle minuut langer en zijn expressiviteit is oneindig veel groter: Nu pas is Lorenzo het sympathieke slachtoffer, dat ten onrechte denkt, dat Zerline hem bedrogen heeft.

1978: Studio-opname: 'Dieser Plan ist mißlungen' recitatief en aria van de markies uit de 3e akte van 'Fra Diavolo' (Eurodisc) met FRIED WALTER (Dir.)
De reprise van deze aria staat op, wat genoemd kan worden, de allerlaatste opera-recital-LP van Rudolf Schock. Hij draagt deze LP op aan "meinen Freunden, meinem Schallplatten-Publikum, das mir seit den ersten Aufnahmen im Jahre 1946 die Treue gehalten hat".
De aria's zijn van Von Gluck, Nicolai, Strauss (Richard), Wagner, Von Weber, Gounod, Cornelius, Auber, Leoncavallo en Von Klenau. Van de laatste zingt Schock een zoekgeraakte en door Fried Walter gereconstrueerde aria uit de opera 'Rembrandt van Rijn' (ook op YouTube te beluisteren!).
Bijzonder is ook, dat op de valreep toch nog de bariton Rudolf Schock debuteert (zie mijn teksten over de loopbaan van de zanger). Hij doet dat als Tonio in de proloog uit 'I Pagliacci', als Valentin in diens gebed uit 'Faust' en als Wolfram in 'O du mein holder Abendstern' uit 'Tannhäuser'.
Op deze aria's kom ik terug bij de desbetreffende componisten.

Voor Aubers 'Fra Diavolo' is dat nu het geval:
Ik vind het vanzelfsprekend, dat de tenorstem van Rudolf Schock niet meer in staat is de lastige aria van de ijdele Fra Diavolo van a tot z perfect te zingen, maar hij slaagt er wel in de sfeer van de interpretatie uit 1954 weer op te roepen.

Krijn de Lege, 2 maart 2008

Keine Kommentare: